Categorie: prestatie

eindtoets, schoolse vaardigheden, onderwijsresultaten, examens

omzetting prestatieniveaus -> niveauwaarden

De leerwinst-methode beoogt voor een ieder, ongeacht het systeem of methodiek, zicht te bieden op de ontwikkelingen van prestaties en toegevoegde waarde. De Loos Monitoring beschikt daarom over diverse omzettingen van en naar de eigen waarden prestatieniveau en leerwinst:
-> niveauwaarde (binnen ParnasSys);
-> percentielen (eindtoets en entreetoets CITO);
-> IQ-schaal (intelligentietoets NIO);
-> vaardigheidsniveau (binnen LOVS).
prestatieniveau vs. niveauwaarde
Voor de vergelijking van het prestatieniveau (leerwinst-methode) en de niveauwaarde (ParnasSys), dient 2.9 punt af te worden getrokken van de niveauwaarde en moet de uitkomst worden gepercenteerd: prestatieniveau van +60% komt dus overeen met niveauwaarde +3.50. Het voorbeeld van het prestatieniveau is dat het aangeeft over welk deel van de leerlingen het gaat (nl. 60% van de leerlingen presteert één vaardigheidsniveau hoger dan landelijk). Maar het voornaamste voordeel is dat het prestatieniveau is ingebed in een methode om toegevoegde waarde te peilen. ParnasSys benut de niveauwaarde vooralsnog niet als maat voor schooleffectiviteit.
prestatieniveau vs. IQ-schaal
Voor de vergelijking van het prestatieniveau (leerwinst-methode) en een intelligentiequotiënt (bv. NIO) heeft De Loos Monitoring een omzettingstabel opgesteld op basis van een genormaliseerde verdeling met een gemiddelde van 100 en standaarddeviatie 15 (ook voor sd=16).
Bij deze omzetting resulteert een prestatieniveau van +60 in een quotiëntwaarde van 104. Het voorbeeld van het prestatieniveau is dat het een sterker onderscheidend vermogen heeft in het middengebied in vergelijking met een quotiëntschaal. Bij extremere resultaten blijven quotiëntwaarden binnen een redelijk bereik, en hebben mogelijk een meerwaarde bij prestatiepeiling in geval van leerachterstanden, talentscholen of in het speciaal onderwijs. Voor een peiling van toegevoegde waarde zijn quotiëntwaarden echter ongeschikt.
prestatieniveau vs. percentiel
Voor een vergelijking maken met aloude school- en gebiedsrapporten, is nu ook mogelijk de centrale indicatoren in de leerwinst-methode, te weten prestatieniveau en leerwinst, uit te drukken in percentielen. Dit op suggestie van de PO-raad.
Uiteraard past de binnen de leerwinst-methode ontwikkelde schaling van prestatieniveau en leerwinst beter bij een onderwijskundig en verbeteringsgericht gebruik van deze indicatoren, in vergelijking met de wat rekenkundige herkomst van percentielcijfers.
Hieronder een voorbeeld waarin prestatieniveau en leerwinst ook zijn uitgedrukt in percentielen (het voorbeeld is ontleend aan een berekening voor een college):

hierbij de volgende opmerkingen:
. aantal betreft het aantal leerlingen dat getoetst is
. de landelijke gemiddelden voor (prestatie-)niveau en (leer-)winst zijn beide 0% (met een bereik van 500% = vijf vaardigheidsniveaus)
. de bijhorende percentielen zijn respectievelijk 50% en 0% (met een bereik van 100% = totale referentie)
Merk op dat relevante verschillen, uitgedrukt in percentielen, minder opvallen: vergelijk bijvoorbeeld het percentielverschil tussen 42% en 41% (rekenen in groep 4 2007/2008 vs. 2008/2009), waarbij in één jaar tijd het prestatieniveau de facto met 6% is gedaald (d.w.z. dat 6% van de leerlingen in de gemeente presteert één vaardigheidsniveau lager dan de leerlingen in het voorgaande jaar).

prestaties van scholen

De LeerWinst-methode maakt het mogelijk om toegevoegde waarde van basisscholen te peilen. Is daarmee de kwaliteitsvraag van alle betrokkenen beantwoord: neen! De Loos Monitoring kiest er voor om voor alle onderwijspartners (actoren) een eigen indicator te ontwikkelen.

1. indicator “percentage voldoende niveau” voor de schoolbesturen en onderwijsinspectie
2. indicator “achterstandsvermindering” voor gemeenten en lokale instellingen
3. indicator “gemiddeld prestatieniveau” voor ouders en profilering
4. indicator “leerwinst” voor school en team

Voor alle vier de indicator geldt dat De Loos Monitoring beschikt over een uitgewerkte berekeningswijze en relevante side-informatie. Alle indicatoren zijn positief gepoold (zoals alle indicatoren van De Loos Monitoring), d.w.z. “hoe gunstige het effect, des te hoger het resultaat”. Ze behoeven geen nieuwe toetsing, de actuele uitkomsten kunnen zonder extra datalevering worden uitgerekend en hebben een landelijke referentie.

peiling door schoolbesturen
De Loos Monitoring raadt schoolbesturen aan voor haar basisscholen regulier deze vierledige prestatiepeiling te laten uitvoeren. Toetresultaten kunnen worden centraal worden verzameld zonder belasting van de scholen via “het toetsdepot”:

. helaas bieden de huidige toetsadministraties (zoals LOVS, ParnasSys e.a.) geen peiling van toegevoegde waarde van groepen leerlingen
. meer dan de andere actoren passen de effectpeilingen binnen de opdracht van besturen
. snel uitvoerbaar, ook bij calamiteiten of ongunstige beoordeling van inspectie
. de aanpak stimuleert school en bestuur positief de nadere prononcering van de eigen en unieke visie, positie en profiel
. versterkt een heldere rolverdeling en afbakeningen van verantwoordelijkheid
. beperkte kosten

Hieronder kort een onderwijs-inhoudelijk beargumentering van het verlaten van een enkelvoudige prestatie-indicator voor het basisonderwijs ten gunstige van een vier-ledige prestatiepeiling.

1. percentage voldoende niveau
Bij taalverwerving dienen groepen leerlingen te worden onderscheiden:
◦ leerlingen met een beperkte leercapaciteit
◦ leerlingen met leerachterstanden
◦ leerlingen zonder leerachterstanden

Relevant is na te gaan hoe groot de groep leerlingen is die te kampen heeft met aanzienlijke leerachterstanden dan wel met een beperkte leercapaciteit. Voor deze groepen leerlingen is de basisschool standaard niet geëquipeerd. Maar eenmaal geplaatst zal de school toch moeten zorgdragen voor een passend aanbod.
De indicator toont hier grosso modo het percentage leerlingen waarvoor uitval dreigt. Dat wil zeggen huidige D/E-leerlingen, die indien er geen niveauverbetering plaats heeft, niet voldoende toegerust (zullen) zijn voor een normale start in het voortgezet onderwijs (kb-niveau). Het toont het percentage leerlingen waarvan zonder gerichte aanpak of intensiveringen het reguliere basisonderwijs geen aanbod is.
De primaire verantwoordelijke is het schoolbestuur. Dat is immers met de subsidiënt de opdracht aangegaan leerlingen te brengen op een voldoende vaardigheid voor het voortgezet onderwijs. Indien op een school te veel leerlingen dit niveau niet halen, kan het wel het bestuur worden verweten: deze zal een extra investering moeten plegen en de school inde gelegenheid te stellen voor deze groep leerlingen alsnog een passend aanbod aan te kunnen bieden. Een lage uitkomst kan dus moeilijk de school worden verweten; haar primaire zorg is immers te trachten de achterstanden te verminderen en niet om leerlingen te dumpen (of niet toe te laten). Het is aan het bestuur om de grenzen aan te geven, wanneer de inspanningen onvoldoende renderen en de toezegging richting ouders en overheid niet kan worden waargemaakt. Verder kan een bestuur zorg dragen voor een beter passend aanbod.
Besturen geven de marges aan welk deel van de populatie onvoldoende beheersingsniveau kan hebben binnen het reguliere aanbod. Indien dit percentage hoger ligt, kunnen zij zorg dragen voor versterkt basisonderwijs of alternatief aanbod (inclusief stroomlijning van de overgang).
Centrale opdracht aan het basisonderwijs is alle leerlingen op een voldoende niveau te brengen. De indicator toont in welke mate het basisonderwijs hierin slaagt.

2. achterstandsvermindering
Onderwijs is een maatschappelijke voorziening om een ieder in de samenleving in principe een gelijke kans geven op een succesrijk en betekenisvol perspectief. Het onderwijs is deels gericht op de bestrijding van onderwijsachterstanden. Daarbij vormt bestrijding van taalachterstanden een voornaam aspect, omdat veel achterstandsleerlingen te kampen hebben met taalachterstanden, welke in een latere fase zich ook uitstrekken tot achterstanden in andere vaardigheden.
De indicator peilt in welke mate leerlingen met achterstanden er in slagen in te lopen. De indicator richt zich primair op die taalvaardigheden welke ook van essentieel belang zijn voor instructie.
Scholen hebben vrijwel allemaal te maken met taalachterstanden. De bestrijding is primair een taak van de school en wordt daar van overheidswege (landelijke en gemeentelijk) voor geëquipeerd. Taalachterstanden zijn veelal gerelateerd aan een taalarme thuissituatie die over beperkte mogelijkheden beschikt.
Leerlingen met taalachterstanden vormen een gemêleerde groep met uiteenlopende achtergrond¬kenmerken en wisselende onderwijsgeschiedenis. Het aan de school om hierbij binnen de grenzen van eigen mogelijkheden een optimum te vinden van een effectieve bestrijding, zonder al te zeer in te leveren op het onderwijs aan leerlingen zonder leerachterstanden.
Aanpak van taalachterstanden dient planmatig en structureel te worden aangepakt; het vergt een aanpak over alle leerjaren van het basisonderwijs. De indicator toont in welke met de basisschool en de leerkrachten hierin zijn geslaagd.

3. gemiddeld prestatieniveau
Een goede taalvaardigheid in het Nederlands vormt een belangrijke vaardigheid voor het vervolg¬onderwijs; In het basisonderwijs wordt de ook basis gelegd voor een aantal andere essentiële vaardigheden.
Gezien het belang van prestaties en vaardigheden, moet het onderwijs op basisscholen voor een belangrijk deel gericht te zijn op het optimaal benutten van de leercapaciteit. Dit kan niet los worden gezien van zaken als veilige leeromgeving, interesse en motivatie van leerlingen, gezondheid en welbevinden van leerlingen. Ook voor leerlingen zonder achterstanden of beperkte leercapaciteit.
De indicator peilt het gemiddelde niveau op de diverse vaardigheden. Daarbij richt het zich vooral op leerlingen die in principe geen taalachterstand of beperkte leercapaciteit hebben.
Het primaire belang van een optimale ontwikkeling ligt bij de ouders. Weliswaar is de school als eerste aanzet om de leerlingen te brengen op een voldoende niveau, maar voor het bereiken van een optimum is de inbreng van de ouders noodzakelijk. Het is de opdracht aan ouders zorgt te dragen voor een taalrijke omgeving en onderwijsondersteunend gedrag.
Het primaire belang is gelegen in een zo hoog mogelijk prestatieniveau en daarmee de mogelijkheden voor een kansrijk en geïnspireerd vervolg op het basisonderwijs. De indicator toont de mate waarin de school samen met haar natuurlijke partner, de ouders, hierin slaagt.

4. leerwinst (schooleffectiviteit)
Het basisonderwijs legt een voorname basis voor de cognitieve ontwikkeling, kennis en vaardigheden. Er is veel geïnvesteerd op scholen om het taalonderwijs te verbeteren. Uitgangspunt is dat alle scholen min of meer op maat geëquipeerd zijn om kwalitatief goed taalonderwijs te realiseren. In welke mate zij hierin slagen kan met name worden afgemeten aan de toegevoegde waarde, waarbij is gecorrigeerd voor ondermeer aanleg en het aanvankelijke niveau.
De indicator peilt in welke mate op scholen erin slagen leerlingen beter te laten presteren dan op grond van aanleg en aanvankelijk startniveau kon worden verwacht. Daarbij worden uitdrukkelijk alle leerlingen meegewogen. Berekening van de toegevoegde waarde wordt uitgevoerd op basis van individuele vorderingen conform volgens LeerWinst-methode.
Wettelijk zijn schoolbesturen direct verantwoordelijk voor de onderwijskwaliteit op hun scholen.
Aan schoolbesturen is de opdracht gegeven, conform de gestelde richtlijnen en binnen de beschikbare middelen en personeel, zorg te dragen voor goed kwalitatief onderwijs en scholen hierop te beoordelen. Schooleffectiviteit is echter nadrukkelijk een indicator van het team, waarbij de indicator laat zien of beschikbare middelen, mensen en motivatie ook daadwerkelijk het gewenste effect teweeg hebben gebracht. Het kan laten zien waar en de effecten zichtbaar zijn en de inzet in meer of mindere mate renderen. Daarbij heeft het adagium: “hoe ze het doen, maakt mij niet uit, maar wel dat zij er in slagen”. De indicator vormt een ideale terugkoppeling van resultaten van individuele leerkrachten en schoolteam als geheel.
Toegevoegde waarde dient te worden gelegd naast de inzet van middelen, personeel en lokaliteiten, waarbij er vanuit wordt gegaan dat bij verzwarende omstandigheden ook een navenante uitbreiding van de middelen beschikbaar is.

gerichtheden
Merkt op dat de vier prestatie-indicatoren niet alleen vier onderscheiden (primaire) actoren kent maar alle vier ook een onderscheiden gerichtheid hebben:

1. indicator “percentage voldoende niveau” is gericht op “opbrengsten”
2. indicator “achterstandsvermindering” is gericht op “standaarden”
3. indicator “gemiddeld prestatieniveau” is met name gericht op “kwaliteit”
4. indicator “leerwinst” is met name gericht op “doelmatigheid”

Kritisch kanttekening ten aanzien van effectiviteitsmetingen elders is niet alleen dat er geen helder onderscheid wordt gemaakt tussen de relevantie en bijdragen van de onderscheiden actoren. Daardoor is de school de eerst aangesprokene en kop van jut. Dit maakt scholen kopschuw. Er werd reeds nagedacht over de mogelijkheden va een onderwijskundig failliet. Veel minder kritiek is er op de aanpak en rendement van bestuur, overheid en ouders. Hoewel deze onmiskenbaar een essentiële rol hebben.
Ook wordt niet onderscheid gemaakt tussen de vier complementaire gerichtheden, die maken dat een benadrukking van een enkel voordeel, mogelijk te koste gaat van andere waardevolle en relevante aspecten.
In veel andere effectiviteitspeilingen zijn de actoren en gerichtheden zijn meegenomen. Maar omdat er geen heldere keuzes zijn gemaakt lopen de diverse aspecten door elkaar en zijn ze niet meer goed te onderscheiden en werken ze verwarring in de hand. De Loos Monitoring legt met zijn aanpak een basis voor een heldere informatie over onderwijsprestaties, verdeeld expliciet opdrachten die gekoppeld moeten worden aan de resultaten en toont de samenhangen die in overleg met direct betrokkenen het best in balans weten te brengen.

effectiviteitspeilingen vergeleken

Er zijn in de loop van de tijd vele pogingen ondernomen om toegevoegde waarde van basisscholen te peilen. Ook de Loos Monitoring heeft een aanpak ontwikkeld. Nu is er een schema opgesteld waarin de voor- en nadelen van de verschillenden aanpakken naast elkaar zijn gezet.
Het staat een ieder vrij opmerkingen te maken over dit schema, of de aanpak van zijn/haar voorkeur gunstiger in het schema te plaatsen. U is allen uitgenodigd.
Ik sta uiteraard voor mijn Leerwinst-aanpak.
Kort exposé van de voordelen van LeerWinst-methode:
. direct in te voeren en operationeel tegen lage kosten en beperkte belasting van scholen
. compact kernachtig verslag van actuele leerwinst, met rijke scala aan nadere verbijzonderingen, trends en vergelijkingen
. begrijpelijke uitkomsten voor horizontale verantwoording; informatief voor ouders, bestuur en anderen die minder bekend zijn met toetsing
. uitkomsten per groep, in principe vanaf groep 4 (het niveau in groep 3 vormt daarbij de referentie), inclusief resultaten dle-testen, entreetoetsen, diverse eindtoetsen en indicatief ook toe te passen in de onderbouw
. toont schooleffectiviteit bij onderscheiden groepen leerlingen (bv. leerlingen met verdiept/intensief arrangement, leerlingen met achterstanden/voorsprong of voormalige zittenblijven/wisselaars/neven-instromers)
. benut huidige toetsingspraktijk en momenteel reeds opgeslagen toetsresultaten, dus staat het de school vrij eigen toetsen, leverancier en agenda te bepalen
. levering via bestaande exports vanuit om. ESIS, ParnasSys, WinsSas, LOVS en REB via mail aan reeds ontwikkelde “Toetsdepot”. Bewerkingen zijn in te bouwen in toetsadministraties. Geen ingewikkelde toelichtingen en handleidingen
. alle leerlingen tellen mee, ook wanneer ze doubleren, schoolwisselen, zij-instromen of uitstromen naar het speciaal onderwijs, het praktijkonderwijs en leerwegondersteund onderwijs: Er raken geen leerlingen zoek
. zeer nauwkeurig, dus geschikt voor kleine groepen en scholen
. ook zicht op winst/verlies bij groepen leerlingen of scholen met extreme scores (A+ of E)
. stimuleert keuzebepaling, profilering, positionering en eigen verantwoordelijkheid van school
. leerwinst en prestatieniveau kennen dezelfde maat: leerwinst is een deel van het prestatieniveau
. centrale verwerking van individuele resultaten, maar geen centrale opslag