Categorie: kwaliteit

kwaliteit, effectiviteit, standaarden, toezicht

wisselen van eindtoets

In de afgelopen jaren hebben veel basisscholen een andere eindtoets gekozen. Het idee bestaat dat basisscholen met name wisselen wanneer de eindtoetsresultaten tegenvallen: een andere eindtoets zou wellicht een betere uitkomst geven, en dus zou de normering van de diverse eindtoetsen niet gelijk zijn.

Scholen zelf geven andere redenen op: hun keuze valt op meer praktische, prettiger en passender eindtoetsen (OCO, 2019).

De Loos Monitoring heeft bekeken of de toetsadviezen met nieuwe eindtoetsen, beter aansluiten bij de schoolkeuzeadviezen van de scholen, dan de oude eindtoetsen.

Van de laatste drie eindtoetsronden (2017-2019) zijn basisscholen geselecteerd die in het voorgaande jaar (2016-2018) een andere eindtoets hebben afgenomen. En dan blijkt dat de toetsadviezen inderdaad hoger zijn dan in het jaar daarvoor:

Resulteerde de eindtoets van vóór de toetswisseling nog in 33% á 36% lagere toetsadviezen dan schooladviezen; ná de toetswisseling was dit percentage gedaald naar 26% á 29%. Tegelijk gingen het aandeel leerlingen omhoog dat een hoger toetsadvies kreeg dan het schooladvies.
Is er dan sprake van mogelijk ‘perverse motivatie’ om reden van accountability, te switchen naar een ‘eenvoudiger’ eindtoets?

Wanneer de toetadviezen worden vergeleken met scholen die niet zijn gewisseld, blijkt dat toetsadviezen ná toetswisseling meer vergelijkbaar zijn aan scholen die niet zijn gewisseld van eindtoets:

Het is dus plausibel dat de oude eindtoets inderdaad minder goed paste bij de schoolkeuzeadviezen van de scholen, en dat met name vanwege onderwijsverbetering scholen van eindtoets wisselden.
De suggestie dat basisscholen om reden van communicatie en verantwoording een ‘lichtere’ eindtoets zouden kiezen, doet vooralsnog de scholen én toetsleveranciers tekort.

Ook in 2019 zijn de toetsresultaten van toetswisselaars vergeleken met die van niet-wisselaars. Ook dan blijkt dat de mismatch tussen toetsadvies en schooladvies, ná toetswisseling beter overeenkomen, met de mismatch op scholen die bij hun eerdere toetskeuze zijn gebleven.

Wat dan wel opvalt is dat door het reduceren van het aantal toetsadviezen in 2019tot een zestal adviezen, meer overgang’ers een hoger toetsadvies hebben dan hun schooladvies:

groeitempo

Bij een peiling van schooleffectiviteit (toegevoegde waarde van de school) worden prestaties op een beginmeting en eindmeting met elkaar vergeleken. In de Leerwinst-methode van De Loos Monitoring worden daarvoor per leerling de toetsresultaten van vorig schooljaar vergeleken met de resultaten in het huidige schooljaar.

Deze aanpak heeft als nadeel dat leerlingen met een voorsprong qua cijfers nauwelijks meer kunnen ‘groeien’, maar dat terdege wel kunnen. Dat geldt ook voor leerlingen met achterstand: ook zij nog steeds verder achterop raken, zonder dat dat in de cijfers goed zichtbaar is.

De Groeitempo-Methode biedt een oplossing: in een referentiegroep wordt bekijkt per niveaugroep de leerwinst bekeken, en omgezet tot een normaalscore. De Groetempo-methode is nu integraal opgenomen in de Leerwinst-methode. In het eenvoudiger Groeitempo-model worden de leerwinst voor vijf niveaugroep ingedeeld in drie gelijke ‘groei’-groepen: ‘dalend’, ‘gelijk’ en ‘stijgend’.

Nu zijn de niveaugroepen gelijk in hun (gestandaardiseerde) leerwinst. En kunnen scholen met meer achterstanden (lager prestatieniveaus) worden vergeleken met scholen met meer voorsprong (hogere prestatieniveaus):

Per niveaugroep, leerjaar én competentie, is het groeitempo gestandaardiseerd en zijn groeigroepen ingedeeld.

In de pilot zijn de toetsresultaten van de laatste zes schooljaren als referentie genomen.

alternatief voor eindtoetsing

Dit schooljaar vindt er geen eindtoetsing plaats in het basisonderwijs. De Leerwinst-methode biedt een alternatief voor de peiling van de toegevoegde waarde van scholen.

De Leerwinst-methode vergelijkt de toetsprestaties in het huidige jaar (niveauwaarde) met die van het vorig schooljaar (leerwinst).
Van leerlingen in groep 4 tot en met groep 8. De visuals zijn gemaakt op basis van data van negen pilotscholen.

In de visual zijn de leerlingen per school ingedeeld in vier groepen (arrangement), namelijk groep leerlingen die zeer intensief onderwijs behoeven tot en met de groep leerlingen die een verdiept aanbod behoeven. Leerlingen worden ingedeeld op basis van hun prestaties in het voorgaande schooljaar.

Resultaten worden eerst per toets en per jaar gemiddeld. Toetsen zijn ingedeeld in drie competenties (lezen, rekenen en taal) en diverse vaardigheden en toetsen. Geschikt voor mix van toetsleveranciers en eigen toetsagenda.

Nieuwe leerlingen tellen het eerste jaar niet mee. Leerlingen die zijn vertrokken, tellen deels mee. Uitsplitsing naar groepen.
Gecorrigeerd wordt voor zittenblijven/klasoverslaan en afwijken van de toetskalender. Individuele toetsing wordt niet meegerekend.