Categorie: design & model

indicatoren, algoritmen, informatiekubussen, methodologie

wachtlijsten kinderopvang

wachtlijsten buitenschoolse opvang
In januari 2005 zijn voor het laatst de wachttijden in de buitenschoolse opvang gepeild. Daaruit bleek dat Amsterdam en Utrecht een groot capaciteitsprobleem hebben. Beide steden hebben in 2004 de achterstand niet kunnen verminderen.
Zie verder ook een korte samenvatting van de resultaten, ook voor andere regio’s.

wachttijdenmodel kinderopvang

Service Ondernemersgerichte Marktgegevens (SOM)
In 2005 heeft De Loos Monitoring in samenwerking met EbbersConsult een plan opgesteld om te komen tot een Service Ondernemersgerichte Marktgegevens. Basis hiervoor vormde de studies (2003) en peilingen (2004) van wachttijden in de kinderopvang. Kern van dit plan is de elektronische levering van wachtlijstgegevens van kinderopvangcentra aan een centrale databank. Vanuit deze centrale databank worden de marktgegevens naar de ondernemers gerapporteerd. Het belang van marktgegevens voor ondernemers in de kinderopvang is evident. Belangrijk bij succesvol ondernemen is de vraag: hoe ontwikkeld mijn markt (de vraag) zich? Blijft mijn bezettingsgraad op peil? Hoe en wanneer vang ik krimp op?
De markt voor kinderopvang is anno 2005 vrijgemaakt en wordt snel vraaggericht en concurrerend. Met betere marktinformatie kan een ondernemer gerichter omgaan met investeringen in aanbod: personeel, gebouwen, organisatie, marktbewerking. Eisen die een ondernemer stelt aan marktgerichte informatie zijn: duidelijk, helder, actueel, op zijn situatie toegespitst en betrouwbaar. Tot op heden was het onmogelijk of moeizaam om deze marktinformatie te krijgen.
Het plan om met ondernemers in de kinderopvang, te komen tot deze service, is nader toegelicht in een brochure.
vijf kwartaalpeilingen wachttijden kinderopvang
In 2004 heeft De Loos Monitoring een vijftal wachttijdenpeilingen verricht in opdracht van ministerie SZW in samenwerking met KidsConcern. Zie ook een samenvatting van de recentste wachttijdenpeiling.
studie wachttijden kinderopvang
In 2003 heeft De Loos Monitoring een achttal studies verricht om te komen tot een zuivere peiling van de wachtlijsten en -tijden in de kinderopvang. Deze studies omvatte ondermeer:
• een kritische beschouwing van bestaande wachtlijstonderzoeken
• een model en een advies voor wachttijdmetingen
• een peiling van wachttijden bedrijfsopvang
• een studie van wachttijden in de gesubsidieerde-, particuliere- en bedrijfsopvang
meer voorbeelden:
Het eindrapport van de studies
bijlage 1 over eerdere onderzoeken naar wachttijden
bijlage 2 met nadere resultaten peiling wachttijden bedrijfsplaatsen
bijlage 3 een aanvullende studie naar wachtlijsten
bijlage 4 een gegevensmodel voor wachttijden
bijlage 5 regionale verschillen tussen wachttijden en wachtlijstprofielen
bijlage 6 bestaand onderzoek opnieuw bekeken
bijlage 7 wachtlijstonderzoek via ouderbevraging (NIPO/Vyvoj)
wat daaraan vooraf ging
In 1999 leverde De Loos Montoring een unieke monitor Kinderopvang af. Daarin werd een stedelijk overzicht gegeven van het gebruik van de kinderopvang in Den Haag. Belangrijke indicatoren betroffen het gezinsinkomen, verhouding tussen reguliere opvang en bedrijfsopvang en particuliere opvang, de ontwikkelingen in de dagopvang, naschoolse opvang en diverse flexibele opvang, en het gebruik door verschillende etnische groepen en gebruik in verschillende stadsdelen.
Ook de wachttijd tot aan de plaatsing werd in ogenschouw genomen, maar leidde tot een onverwacht resultaat: namelijk gemiddeld bestaat er geen wachttijd. Daarop verzocht de gemeente aanvullende analyses door De Loos Monitoring.
In samenwerking met de voornaamste Haagse instellingen is geconstateerd dat de gebruikte registraties en reeds verrichte wachtlijstpeilingen een aantal fundamentele fouten bevat, die een goede wachtlijstmonitoring onmogelijk maken. Voornaamste bevinden leidde wederom tot het beeld dat in de meeste gevallen er geen sprake is van wachttijd. Immers de ‘wachtlijsten’ zijn grotendeels ‘planningslijsten’, waarbij onterecht de ‘inschrijfdatum’ wordt genomen als startdatum van ‘het wachten’. Belangrijke groepen ‘wachtenden’ zijn daarnaast van de ‘wachtlijst’ gehaald, omdat een een kindplaats is ‘gereserveerd’. Veel ogenschijnlijk ‘wachtenden’ hebben veelal elders ‘opvang gevonden’.
Verder bleek nogmaals het belang van een goede ‘wachtlijstmonitoring’, mede voor een goede verantwoording van de uitbreidingsinspanningen, strategische productontwikkeling en effectief plaatsingsbeleid. Voorbeelden van indicatoren en nieuwe verbeterde presentaties zijn landelijk verspreid.
Door het netwerkbureau Uitbreiding Kinderopvang is De Loos Monitoring gevraagd deze visie toe te lichten en de consequenties in te schatten voor de prognoses van benodigde kindplaatsen en de toepassing van cijfermateriaal bij uitbreidingsplannen.

inleiding Leerwinst-methode

de Leerwinst-methode
De Leerwinst-methode betreft een leerlingcapaciteitonafhankelijke berekening van de toegevoegde waarde van basisscholen. Kort wordt de bedoeling en kenmerken van de Leerwinst-methode aangegeven. Daarna worden de de pré’s van de Leerwinst-methode opgesomd.
inleiding
De Leerwinst-methode peilt schooleffectiviteit (of toegevoegde waarde) in het basisonderwijs. Deze methode is ontwikkeld door De Loos Monitoring.
De Leerwinst-methode beschrijft de wijze waarop de Leerwinst-methode de knelpunten bij bestaande effectiviteitsmetingen ondervangt. De beschrijving toont vervolgens op welke wijze stap voor stap schooleffectiviteit binnen de Leerwinst-methode wordt berekend.
Ook wordt aangegeven aan hoe over de uitkomsten van de Leerwinst-methode wordt gerapporteerd, hoe deze kunnen worden beoordeeld en voor wie de rapporten relevant zijn.
aanleiding
De ene school boekt structureel hogere toetsresultaten dan de andere. Zegt dat iets over de kwaliteit van het geboden onderwijs? Prestaties van leerlingen zijn afhankelijk van schooleffectiviteit en leercapaciteit van leerlingen . En de leercapaciteit en de leerachterstanden hangen samen met de sociaal-economische positie van de gezinnen en de culturele en talige achtergrond van de leerlingen.
De vraag is in hoeverre de school bijdraagt aan het aanboren en ontplooien van de talenten van leerlingen. Even gewenst is in het kader van bestrijding van onderwijsachterstanden inzicht in welke mate scholen erin slagen om leerlingen met een beperkte leercapaciteit of met leerachterstanden te tillen naar een minimaal of voldoende niveau. De bijdrage van de school moet in beide gevallen worden onderscheiden van de leercapaciteit van de leerlingen.
Een maat voor schooleffectiviteit is maatschappelijk relevant en essentieel voor schoolverbetering. De onderwijsraad benadrukte al in 2003 het belang de schooleffectiviteit te peilen. Helaas bestaat hiervoor (nog) geen onomstreden manier dit te berekenen:
. Een voor de hand liggende benadering is de eindprestaties van leerlingen te vergelijken met hun niveau bij binnenkomst in de school. Deze benadering heeft een erkend en zwaarwegend aantal methodische onvolkomenheden.
. In het advies van Bosker e.a. (2006 ) om te komen tot een heldere maat voor schooleffectiviteit, wordt gepleit voor een criteriumgerichte benadering: welk percentage leerlingen heeft aan het einde van het basisonderwijs een minimaal of voldoende niveau op de kerndoelen (de criteria) die gelden voor het basisonderwijs én wat is het gemiddelde vaardigheidsniveau op de onderscheiden domeinen? Deze benadering heeft echter beperkte mogelijkheden voor onder meer kwaliteitsverbetering.
De Loos Monitoring heeft deze methode ontwikkeld als antwoord op gevoelde behoefte aan een meer betrouwbaar en nauwkeurig meetinstrument die de problemen en beperkingen van huidige methoden ondervangt, en die past in beide benaderingswijzen (schoolverbetering én referentieniveaus).
De Leerwinst-methode geeft een samenhangend zicht op prestaties, toegevoegde waarde en rendement. De methode richt zich op schoolse vaardigheden. De Leerwinst-methode biedt een eenduidige en inzichtelijke maat op hoofdlijnen. De Leerwinst-methode geeft zicht op onderwijsachterstanden en maakt een eerlijker vergelijking tussen scholen mogelijk.
Belangrijk uitgangspunt is scholen niet te belasten met extra toetsen; de methode behoeft geen extra toetsing, maakt gebruikt van de (historische) resultaten in het leerlingvolgsysteem en eindtoetsresultaten en telt alle leerlingen . De voornaamste toets voor prestatiepeilingen in Nederland, te weten de eindtoets basisonderwijs van het CITO, maakt integraal en herkenbaar onderdeel uit van de Leerwinst-methode.
De Leerwinst-methode levert een grote diversiteit aan overzichten, rapporten en grafieken opleveren. De rapporten over deze resultaten zijn ook begrijpelijk voor mensen zonder statistische deskundigheid (zoals docenten en ouders).
Zie ook ter illustratie een factsheet met leerwinst.
pré’s van de Leerwinst-methode
De Leerwinst-methode heeft een aantal pré’s boven andere methoden voor effectiviteitspeilingen:
. direct in te voeren en operationeel tegen lage kosten en beperkte belasting van scholen;
. compact kernachtig verslag van actuele leerwinst, met rijke scala aan nadere verbijzonderingen, trends en vergelijkingen;
. begrijpelijke uitkomsten voor horizontale verantwoording; informatief voor ouders, bestuur en anderen die minder bekend zijn met toetsing;
. uitkomsten per groep, in principe vanaf groep 4 (het niveau in groep 3 vormt daarbij de referentie), inclusief resultaten dle-testen, entreetoetsen, diverse eindtoetsen en indicatief ook toe te passen in de onderbouw;
. toont schooleffectiviteit bij onderscheiden groepen leerlingen (bv. leerlingen met verdiept/intensief arrangement, leerlingen met achterstanden/voorsprong of voormalige zittenblijven/wisselaars/neven-instromers);
. benut huidige toetsingspraktijk en momenteel reeds opgeslagen toetsresultaten, dus staat het de school vrij eigen toetsen, leverancier en agenda te bepalen;
. levering via bestaande exports vanuit om. ESIS, ParnasSys, WinSas, LOVS en REB via mail aan reeds ontwikkelde “Toetsdepot”. Bewerkingen zijn in te bouwen in toetsadministraties. Geen ingewikkelde toelichtingen en handleidingen;
. alle leerlingen tellen mee, ook wanneer ze doubleren, schoolwisselen, zij-instromen of uitstromen naar het speciaal onderwijs, het praktijkonderwijs en leerwegondersteund onderwijs: Er raken geen leerlingen zoek;
. zeer nauwkeurig, dus geschikt voor kleine groepen en scholen;
. ook zicht op winst/verlies bij groepen leerlingen of scholen met extreme scores (A+ of E);
. stimuleert keuzebepaling, profilering, positionering en eigen verantwoordelijkheid van school;
. leerwinst en prestatieniveau kennen dezelfde maat: leerwinst is een deel van het prestatieniveau;
. centrale verwerking van individuele resultaten, maar geen centrale opslag.
Kwaliteitsbeleid behoort volgens De Loos Monitoring primair tot de taken van het bestuur. En is het aan besturen om zorg te dragen voor effectiviteitspeilingen en beoordeling van het kwaliteitsbeleid.

prestatieprofiel

prestatieprofiel
De leerwinst-methode kent een nieuwe loot aan de boom: het vernieuwde prestatieprofiel.
Deze lijkt als twee druppels als het aloude profiel van vaardigheidsniveaus. Maar dit profiel past binnen de leerwinst-systematiek én heeft de nauwkeurigheid van vaardigheidsscores. En dit profiel geeft een goed zicht op de niveauverschillen tussen leerlingen.




De leerwinst-methode beoogt helder zicht te bieden op prestaties en toegevoegde waarde. Centrale indicatoren zijn het ‘prestatieniveau’ en de ‘leerwinst’. Deze en andere indicatoren onderscheiden zich doordat ze helder verschillen en trends tonen van vaardigheden, leerjaren, schooljaren, vestigingen en groepen leerlingen.
Het nieuwe prestatieprofiel maakt nu ook goed niveauverschillen tussen leerlingen zichtbaar. Daarnaast komt het prestatieprofiel zeer bekend voor, voor leerkrachten, scholen en begeleidingsdiensten: het ziet er namelijk hetzelfde uit als het aloude en bekende profiel van vaardigheidsniveaus. Met dat verschil dat het prestatieprofiel veel nauwkeuriger meet en alle voordelen van de leerwinst-methode in zich herbergt om te kunnen inzoomen op details en uitzoomen tot hoofdlijnen: het is immers afgeleid van de individuele prestatieniveaus.
nauwkeurigheid prestatieprofiel
Het voordeel om het prestatieniveau als uitgangspunt te nemen zijn onder meer:
· het prestatieniveau is samengesteld op basis van verschillenden genormeerde scores, zoals de vaardigheidsniveaus, percentielen, dle’s of intelligentiequotiënten (vrijwel alle toetsresultaten kunnen dus worden meegenomen);
· het prestatieniveau is ongevoelig voor het aantal keer dat een leerling is getoetst op een vaardigheid (alle leerlingen tellen even zwaar mee);
· het prestatieniveau onderscheidt ook verschillen binnen vaardigheidsniveaus (het CITO hanteert een vijfdeling A t/m E), door subniveaus te onderscheiden (op basis van ruwe dan wel schaalscores);
· binnen de leerwinst-methode worden prestatieniveaus niet gekoppeld aan een toets, maar aan een vaardigheid en een competentie.
Voor het opstellen van het prestatieprofiel worden de individuele prestatieniveaus opnieuw ingedeeld in de aloude indeling van de vaardigheidsniveaus, maar dan zo dat de nauwkeurigheid van het prestatieniveau behouden blijft. Een leerling die bijvoorbeeld grotendeels op B-niveau presteert, is dan niet enkel een B-leerling, maar bijvoorbeeld voor 80% een B-leerling en voor 20% een A-leerling. Ook de nauwkeurigheid van bijvoorbeeld een A++ -leerling dan wel een E—leerling, blijft behouden.
figuur en tabel tonen het prestatieprofiel 2007/2008 voor een bepaling van realistische doelstelling in het collegeplan: