Categorie: design & model

indicatoren, algoritmen, informatiekubussen, methodologie

ouderindicatoren

De Loos Monitoring heeft kwaliteitsindicatoren ontworpen speciaal gericht op ouders.
Kwaliteitsindicatoren belichten aspecten die in meer of mindere mate horen bij de rol van onderscheiden onderwijspartners. Ouderindicatoren zijn kwaliteitsindicatoren die expliciet zijn gericht op de rol, de verantwoordelijkheden, de onderwijsvraag en de belangen van ouders.

Ouderindicatoren helpen ouders bij de schoolkeuze. Dan gaat bij de schoolkeuze niet alleen om het niveau of de nabijheid, maar ook of het concept, de populatie en/of het profiel hun kinderen passen.

Ook wijzen mijn ouderindicatoren op de mate waarin ouders bijdragen aan de onderwijskwaliteit, door om. ouderbetrokkenheid, -participatie en onderwijsondersteuning. Ook kunnen ouders bijdragen aan kwaliteit door te bijdragen aan het voorkomen van schooluitval en/of aandragen van stageplaatsen/studieopdrachten.

De Loos Monitoring heeft voor de Rotterdamse kwaliteitsprofielen de volgende ouderindicatoren ontworpen:
. ouderindicator ‘gemiddeld taalniveau’
. ouderindicator ‘onderwijsondersteuning’
. ouderindicator ‘spijbelen en presentie’
. ouderindicator ‘schooladvies en -keuze’
. ouderindicator ‘schoolwisselingen’
. ouderindicator ‘verschuiving’
. ouderindicator ‘uitstroomprofiel’

Deze en andere kwaliteitsprofielen staan systematisch beschreven en gedefinieerd op basis van zestien kenmerken in vijf categorieën.

Kwaliteitsindicatoren kunnen onderdeel vormen van een stelsel van kwaliteitsindicatoren. In het stelsel zijn de indicatoren opgenomen gericht op ouders, maar ook gericht op de schoolteam, de schoolbesturen én op de lokale overheden en instellingen.
De kwaliteitsindicatoren zijn min of meer gelijkelijk verdeeld over deze onderwijspartners. Maar ze dekken ook min of meer de verschillenden thema’s af (profiel, prestaties, leertijd, burgerschap), alsook de verschillende aspecten (doelmatigheid, resultaat, standaarden, kwaliteit).

omzetting prestatieniveaus -> niveauwaarden

De leerwinst-methode beoogt voor een ieder, ongeacht het systeem of methodiek, zicht te bieden op de ontwikkelingen van prestaties en toegevoegde waarde. De Loos Monitoring beschikt daarom over diverse omzettingen van en naar de eigen waarden prestatieniveau en leerwinst:
-> niveauwaarde (binnen ParnasSys);
-> percentielen (eindtoets en entreetoets CITO);
-> IQ-schaal (intelligentietoets NIO);
-> vaardigheidsniveau (binnen LOVS).
prestatieniveau vs. niveauwaarde
Voor de vergelijking van het prestatieniveau (leerwinst-methode) en de niveauwaarde (ParnasSys), dient 2.9 punt af te worden getrokken van de niveauwaarde en moet de uitkomst worden gepercenteerd: prestatieniveau van +60% komt dus overeen met niveauwaarde +3.50. Het voorbeeld van het prestatieniveau is dat het aangeeft over welk deel van de leerlingen het gaat (nl. 60% van de leerlingen presteert één vaardigheidsniveau hoger dan landelijk). Maar het voornaamste voordeel is dat het prestatieniveau is ingebed in een methode om toegevoegde waarde te peilen. ParnasSys benut de niveauwaarde vooralsnog niet als maat voor schooleffectiviteit.
prestatieniveau vs. IQ-schaal
Voor de vergelijking van het prestatieniveau (leerwinst-methode) en een intelligentiequotiënt (bv. NIO) heeft De Loos Monitoring een omzettingstabel opgesteld op basis van een genormaliseerde verdeling met een gemiddelde van 100 en standaarddeviatie 15 (ook voor sd=16).
Bij deze omzetting resulteert een prestatieniveau van +60 in een quotiëntwaarde van 104. Het voorbeeld van het prestatieniveau is dat het een sterker onderscheidend vermogen heeft in het middengebied in vergelijking met een quotiëntschaal. Bij extremere resultaten blijven quotiëntwaarden binnen een redelijk bereik, en hebben mogelijk een meerwaarde bij prestatiepeiling in geval van leerachterstanden, talentscholen of in het speciaal onderwijs. Voor een peiling van toegevoegde waarde zijn quotiëntwaarden echter ongeschikt.
prestatieniveau vs. percentiel
Voor een vergelijking maken met aloude school- en gebiedsrapporten, is nu ook mogelijk de centrale indicatoren in de leerwinst-methode, te weten prestatieniveau en leerwinst, uit te drukken in percentielen. Dit op suggestie van de PO-raad.
Uiteraard past de binnen de leerwinst-methode ontwikkelde schaling van prestatieniveau en leerwinst beter bij een onderwijskundig en verbeteringsgericht gebruik van deze indicatoren, in vergelijking met de wat rekenkundige herkomst van percentielcijfers.
Hieronder een voorbeeld waarin prestatieniveau en leerwinst ook zijn uitgedrukt in percentielen (het voorbeeld is ontleend aan een berekening voor een college):

hierbij de volgende opmerkingen:
. aantal betreft het aantal leerlingen dat getoetst is
. de landelijke gemiddelden voor (prestatie-)niveau en (leer-)winst zijn beide 0% (met een bereik van 500% = vijf vaardigheidsniveaus)
. de bijhorende percentielen zijn respectievelijk 50% en 0% (met een bereik van 100% = totale referentie)
Merk op dat relevante verschillen, uitgedrukt in percentielen, minder opvallen: vergelijk bijvoorbeeld het percentielverschil tussen 42% en 41% (rekenen in groep 4 2007/2008 vs. 2008/2009), waarbij in één jaar tijd het prestatieniveau de facto met 6% is gedaald (d.w.z. dat 6% van de leerlingen in de gemeente presteert één vaardigheidsniveau lager dan de leerlingen in het voorgaande jaar).

indicatoren integratie

De Loos Monitoring heeft bijdragen aan diverse integratierapporten.

Voor monitoring van integratie worden de volgende indicatoren onderscheiden:
. buurtspiegel (hoe is het verschil tussen de etnisch samenstelling van de school en met die van de vestigingswijk te kenschetsen, vgl. “te wit”/”te zwart”)
. etnisch profiel (hoe is de samenstelling van de schoolpopulatie te kenschetsen, vgl. zwarte/witte scholen)
. evenredigheid (welke deel van de schoolpopulatie is evenredig vertegenwoordigd)
. dominantiegroep (welke groep is absoluut het sterkst vertegenwoordigd op een school) en in welke mate domineert deze groep
. concentratiegroep (welke groep is relatief het sterkst oververtegenwoordigd) en hoe sterk is deze concentratie
. diversiteit (hoeveel groepen zijn redelijk vertegenwoordigd op een vestiging)
. pendel (voorheen witte vlucht vs. zwarte vlucht)
. buurtschool (voorheen zwarte scholen vs. witte scholen)
. segregatie (of mêlering: is er sprake van verschuiving in bestemming van onderwijsdoelgroepen)
Via deze site is toelichting beschikbaar op welke wijze de integratie-indicatoren zijn te berekenen. Hieronder een korte toelichting op de integratie-indicatoren.

uitgangspunten
. concentratie van etnische groepen op één school staat los van een tweetal samenhangende aspecten, te weten pendel en segregatie. Alle drie deze thema’s vormen onderdeel van het integratiedebat, maar worden veelal door elkaar gebruikt. De indicator evenredigheid richt zich uitsluitend op concentratie, ook wel oververtegenwoordiging vs. evenredigheid.
. de indicator moet ‘positief’ gepoold zijn, dat wil zeggen dat een stijgende waarde overeenkomst met een gunstige en gewilde ontwikkeling. Vandaar dat de indicator van naam is veranderd van “concentratie” in “evenredigheid”
. de indicator moet aangeven in welke mate er sprake is van evenredigheid en zo mogelijk feitelijk zijn. De indicator “evenredigheid” geeft aan welk deel van de leerlingen op een school “evenredig zijn”. Maximum waarde is dan ook 100%. Er is geen minimum, immers het is theoretisch niet mogelijk dat alle kinderen onevenredig zijn ten opzicht van een buurt of een wervingsgebied, omdat zij daar zelf deel van uit maken. In absolute betekenis: op een school met een evenredigheid van 80% en een omvang van 100 leerlingen, betekent dit dat voor een optimale evenredigheid (of spiegel) er minimaal 20 leerlingen ‘gewisseld’ dienen te worden (dan wel dat 20 leerlingen onevenredig zijn).

indicator buurtspiegel
De indicator is een maat voor de mate waarin sprake is van een evenwichtige afspiegeling van de bevolkingspopulatie in de schoolpopulatie, of is er sprake van concentratie en segregatie? Schoolpopulatie is een (etnische) afspiegeling van de wijk of van wervingsgebied. Bij concentratie is dat niet het geval.

indicator buurtschool
Is er sprake van pendel? Ligt het wervingsgebied van school in de geografisch nabijheid van de vestiging? Wanneer dat minder het geval is richt de school zich al dan niet expliciet op doelgroepen? Er kan sprake zijn segregatie wanneer een hoge pendelgraad tezamen gaat met concentratie.
Pendel in het licht van integratie in aanvang een waardeneutrale indicatie van het wervingsgebied. Actieve spreiding is niet aan de orde. Desondanks kan impliciet of expliciet sprake zijn van segregatie, in de zin dat scholen de facto een nichevraag bedienen en effectief beperkt toegankelijk zijn voor leerling die niet voldoen aan het nicheprofiel. Pendel kan op wijzen op aanwezigheid van pullfactoren (schoolprofiel, passend onderwijs) en pushfactoren (vlucht). Pendel kan worden berekend op basis van:
. al dan niet overeenkomen van buurt (indicator buurtschool), wijk, deelgemeente (indicator pendel) of gemeente
. eenvoudige of exacte weging van afstand/reistijd tussen woonadres en vestigingsadres

indicator segregatie
De indicator toont de mate waarin de leerlingenpopulatie van de school (wat aanwezigheid van doelgroepen betreft) verschuift. Positief in integratietermen is dat scholen hun bijdrage leveren en ‘verschuiving’ richting het stedelijke gemiddelde (meer gemêleerde scholen). Tegenovergesteld daaraan is de tendens tot verdere segregatie van doelgroepen en onderwijsproblematiek. Verschuiving bekijkt richting van de verandering en niet de actuele spreidingen; daarmee vermijdt de indicator scholen die zich specialiseren en onderscheiden (achterstandsscholen c.q. elitescholen) een onheuse beoordeling.
In het primair onderwijs betreft verschuiving van doelgroepen de zogenaamde gewichtsleerlingen. In het voortgezet onderwijs betreft dit leerlingen in een begeleide leerweg, in casu VMBO-leerlingen met leerwegondersteuning en HAVO/VWO-leerlingen in het volwassenenonderwijs.

Gerichtheid en actoren van integratie- en pendelindicatoren
De gemeente is in deze eerst aangewezen om het bestaan van concentratiescholen inzichtelijk te maken en van daaruit al dan niet maatregelen te nemen. Feitelijk kan concentratie in deze zin worden beschouwd als een verschraling van het oorspronkelijke aanbod (dat houdt tevens een beperkte toegankelijkheid in).
Concentratiescholen kunnen vanuit een positiebepaling en oriëntatie op de onderwijsvraag al dan niet eigener wil een gericht aanbod formuleren en zich hiermee profileren. Spreiding van bevolkingsgroepen over de stad en over de scholen is beperkt door het onderwijs zelf te beïnvloeden. Veeleer kan het worden gezien als het vertrekpunt. In deze zin kunnen integratie-indicatoren worden beschouwd als een doelmatigheidsindicator.
Ouders kiezen de scholen voor hun kinderen, maar dienen dit te doen op basis van alle hun ter beschikking staande informatie en voor hen geldende overwegingen. Er bestaat vrijheid van keuzevrijheid. Gemeente kunnen ter zake informatie betreffende concentratiescholen beschikbaar stellen. Ouders kiezen al dan niet voor een school in de geografische nabijheid dan voor wel een school verder weg, die om andere redenen passend is. In deze zin vormt de pendelindicatoren een resultante van de wijze waarop scholen zich weten te profileren, de onderwijsbehoefte van leerlingen en de overwegingen van de ouders.