• Home
  • design & model

Categorie: design & model

indicatoren, algoritmen, informatiekubussen, methodologie

groeitempo

Bij een peiling van schooleffectiviteit (toegevoegde waarde van de school) worden prestaties op een beginmeting en eindmeting met elkaar vergeleken. In de Leerwinst-methode van De Loos Monitoring worden daarvoor per leerling de toetsresultaten van vorig schooljaar vergeleken met de resultaten in het huidige schooljaar.

Deze aanpak heeft als nadeel dat leerlingen met een voorsprong qua cijfers nauwelijks meer kunnen ‘groeien’, maar dat terdege wel kunnen. Dat geldt ook voor leerlingen met achterstand: ook zij nog steeds verder achterop raken, zonder dat dat in de cijfers goed zichtbaar is.

De Groeitempo-Methode biedt een oplossing: in een referentiegroep wordt bekijkt per niveaugroep de leerwinst bekeken, en omgezet tot een normaalscore. De Groetempo-methode is nu integraal opgenomen in de Leerwinst-methode. In het eenvoudiger Groeitempo-model worden de leerwinst voor vijf niveaugroep ingedeeld in drie gelijke ‘groei’-groepen: ‘dalend’, ‘gelijk’ en ‘stijgend’.

Nu zijn de niveaugroepen gelijk in hun (gestandaardiseerde) leerwinst. En kunnen scholen met meer achterstanden (lager prestatieniveaus) worden vergeleken met scholen met meer voorsprong (hogere prestatieniveaus):

Per niveaugroep, leerjaar én competentie, is het groeitempo gestandaardiseerd en zijn groeigroepen ingedeeld.

In de pilot zijn de toetsresultaten van de laatste zes schooljaren als referentie genomen.

ouderindicatoren

De Loos Monitoring heeft kwaliteitsindicatoren ontworpen speciaal gericht op ouders.
Kwaliteitsindicatoren belichten aspecten die in meer of mindere mate horen bij de rol van onderscheiden onderwijspartners. Ouderindicatoren zijn kwaliteitsindicatoren die expliciet zijn gericht op de rol, de verantwoordelijkheden, de onderwijsvraag en de belangen van ouders.

Ouderindicatoren helpen ouders bij de schoolkeuze. Dan gaat bij de schoolkeuze niet alleen om het niveau of de nabijheid, maar ook of het concept, de populatie en/of het profiel hun kinderen passen.

Ook wijzen mijn ouderindicatoren op de mate waarin ouders bijdragen aan de onderwijskwaliteit, door om. ouderbetrokkenheid, -participatie en onderwijsondersteuning. Ook kunnen ouders bijdragen aan kwaliteit door te bijdragen aan het voorkomen van schooluitval en/of aandragen van stageplaatsen/studieopdrachten.

De Loos Monitoring heeft voor de Rotterdamse kwaliteitsprofielen de volgende ouderindicatoren ontworpen:
. ouderindicator ‘gemiddeld taalniveau’
. ouderindicator ‘onderwijsondersteuning’
. ouderindicator ‘spijbelen en presentie’
. ouderindicator ‘schooladvies en -keuze’
. ouderindicator ‘schoolwisselingen’
. ouderindicator ‘verschuiving’
. ouderindicator ‘uitstroomprofiel’

Deze en andere kwaliteitsprofielen staan systematisch beschreven en gedefinieerd op basis van zestien kenmerken in vijf categorieën.

Kwaliteitsindicatoren kunnen onderdeel vormen van een stelsel van kwaliteitsindicatoren. In het stelsel zijn de indicatoren opgenomen gericht op ouders, maar ook gericht op de schoolteam, de schoolbesturen én op de lokale overheden en instellingen.
De kwaliteitsindicatoren zijn min of meer gelijkelijk verdeeld over deze onderwijspartners. Maar ze dekken ook min of meer de verschillenden thema’s af (profiel, prestaties, leertijd, burgerschap), alsook de verschillende aspecten (doelmatigheid, resultaat, standaarden, kwaliteit).

omzetting prestatieniveaus -> niveauwaarden

De leerwinst-methode beoogt voor een ieder, ongeacht het systeem of methodiek, zicht te bieden op de ontwikkelingen van prestaties en toegevoegde waarde. De Loos Monitoring beschikt daarom over diverse omzettingen van en naar de eigen waarden prestatieniveau en leerwinst:
-> niveauwaarde (binnen ParnasSys);
-> percentielen (eindtoets en entreetoets CITO);
-> IQ-schaal (intelligentietoets NIO);
-> vaardigheidsniveau (binnen LOVS).
prestatieniveau vs. niveauwaarde
Voor de vergelijking van het prestatieniveau (leerwinst-methode) en de niveauwaarde (ParnasSys), dient 2.9 punt af te worden getrokken van de niveauwaarde en moet de uitkomst worden gepercenteerd: prestatieniveau van +60% komt dus overeen met niveauwaarde +3.50. Het voorbeeld van het prestatieniveau is dat het aangeeft over welk deel van de leerlingen het gaat (nl. 60% van de leerlingen presteert één vaardigheidsniveau hoger dan landelijk). Maar het voornaamste voordeel is dat het prestatieniveau is ingebed in een methode om toegevoegde waarde te peilen. ParnasSys benut de niveauwaarde vooralsnog niet als maat voor schooleffectiviteit.
prestatieniveau vs. IQ-schaal
Voor de vergelijking van het prestatieniveau (leerwinst-methode) en een intelligentiequotiënt (bv. NIO) heeft De Loos Monitoring een omzettingstabel opgesteld op basis van een genormaliseerde verdeling met een gemiddelde van 100 en standaarddeviatie 15 (ook voor sd=16).
Bij deze omzetting resulteert een prestatieniveau van +60 in een quotiëntwaarde van 104. Het voorbeeld van het prestatieniveau is dat het een sterker onderscheidend vermogen heeft in het middengebied in vergelijking met een quotiëntschaal. Bij extremere resultaten blijven quotiëntwaarden binnen een redelijk bereik, en hebben mogelijk een meerwaarde bij prestatiepeiling in geval van leerachterstanden, talentscholen of in het speciaal onderwijs. Voor een peiling van toegevoegde waarde zijn quotiëntwaarden echter ongeschikt.
prestatieniveau vs. percentiel
Voor een vergelijking maken met aloude school- en gebiedsrapporten, is nu ook mogelijk de centrale indicatoren in de leerwinst-methode, te weten prestatieniveau en leerwinst, uit te drukken in percentielen. Dit op suggestie van de PO-raad.
Uiteraard past de binnen de leerwinst-methode ontwikkelde schaling van prestatieniveau en leerwinst beter bij een onderwijskundig en verbeteringsgericht gebruik van deze indicatoren, in vergelijking met de wat rekenkundige herkomst van percentielcijfers.
Hieronder een voorbeeld waarin prestatieniveau en leerwinst ook zijn uitgedrukt in percentielen (het voorbeeld is ontleend aan een berekening voor een college):

hierbij de volgende opmerkingen:
. aantal betreft het aantal leerlingen dat getoetst is
. de landelijke gemiddelden voor (prestatie-)niveau en (leer-)winst zijn beide 0% (met een bereik van 500% = vijf vaardigheidsniveaus)
. de bijhorende percentielen zijn respectievelijk 50% en 0% (met een bereik van 100% = totale referentie)
Merk op dat relevante verschillen, uitgedrukt in percentielen, minder opvallen: vergelijk bijvoorbeeld het percentielverschil tussen 42% en 41% (rekenen in groep 4 2007/2008 vs. 2008/2009), waarbij in één jaar tijd het prestatieniveau de facto met 6% is gedaald (d.w.z. dat 6% van de leerlingen in de gemeente presteert één vaardigheidsniveau lager dan de leerlingen in het voorgaande jaar).