Categorie: aanbod

dissimilarity

De diversiteitsmonitor (2018) en segregatiemonitor (2019) van Amsterdam (door OIS Amsterdam en Universiteit van Amsterdam) bekijkt de trend van de samenstelling van de schoolpopulatie.

De visual laat zien dat er in Amsterdam een belangrijke instroom plaats heeft van hoger opgeleiden en hogere inkomens (de stad werkt als een magneet en de huisprijzen rijzen de pan uit).
Er is dus sprake van verdringing, en mogelijk met een gelijktijdige toename van segregatie (maar die wordt in hun monitor niet getoond).

Voor een betere inzage in de verdringing is er de indicator “verschuiving”. Segregatie kan worden weergegeven met de indicator “evenredigheid”. Beide indicatoren zijn ontwikkeld door De Loos Monitoring.
Zoals ook de indicatoren “dominantie”, “diversiteit” en “concentratie”.

De powerpoint-presentatie laat vier integratie-indicatoren zijn, te weten “evenredigheid”, “dominantie”, “diversiteit” en “concentratie”. En hoe deze zijn opgebouwd.
nb: in de voorbeelden zijn zes groepen naar opleidingsniveau, teruggebracht tot drie groepen: Laag, Midden en Hoog. De vele wijken heb ik teruggebracht tot wijk R, wijk M en wijk L.

De onderwijsinspectie toont segregatie met de dissimilarity-indicator. Ook deze indicator geeft geen zuiver zicht hoezeer er sprake is van segregatie in het onderwijs, maar toont veeleer hoe divers de inwoners van de stad als geheel zijn:

Kortom, er zijn betere indicatoren beschikbaar om segregatie in het onderwijs inzichtelijk te maken.
Ook kunnen aanvullende ‘segregatie’-indicatoren worden ontwikkeld op basis van de ‘nieuwe’ CBS-onderwijsscore (op basis van zes kenmerken) en daarvan afgeleide schoolweging.
De Loos Monitoring heeft hiervoor de indicatorenset “diversiteit” samengesteld.

Voor de weergave van onder- dan wel oververtegenwoordiging is deze omgezet middels een “gebogen vertegenwoordiging”: hierdoor wordt een ondervertegenwoordiging even groot grafisch weergegeven als een oververtegenwoordiging.

kansverschillen op scholen

Met ingang van het schooljaar 2020/2021 beoordeelt de onderwijsinspectie de leerresultaten aan het einde van de basisschool aan de hand van een nieuw onderwijsresultatenmodel. Daarin wordt rekening gehouden met de de schoolweging.

Het CBS berekent de schoolweging van een school op basis van de achterstandsscores van leerlingen: 

  • het opleidingsniveau van de ouders
  • het gemiddeld opleidingsniveau van alle moeders op school
  • het land van herkomst van de ouders
  • de verblijfsduur van de moeder in Nederland
  • of ouders in de schuldsanering zitten.

Een hogere score hangt samen met een hoger risico op onderwijsachterstand en lagere onderwijskansen.
Naast de schoolweging berekent het CBS ook de verschillen tussen de achterstandsscores van de leerlingen onderling: hoe meer spreiding des te heterogener de schoolpopulatie qua risico op onderwijsachterstanden.

Één van de indicatoren uit het onderwijsresultatenmodel betreft het percentage leerlingen dat op taal, rekeningen en lezen in de afgelopen drie jaar op de eindtoets, referentieniveau 2F heeft gehaald.

De onderstaande puntenwolk toont van alle basisscholen hun schoolweging en het score op deze indicator, dit op basis van de eindtoetsresultaten 2018 en 2019. De dunne middenlijnen tonen hoe heterogene scholen presteerden ten opzicht van minder heterogene scholen:

  • <P05: 5% scholen met zeer weinig spreiding
  • P05-P20: 15% scholen met weinig spreiding
  • P20-P80: 60% scholen met normale spreiding
  • P80-P95: 15% scholen met veel spreiding
  • P95>: 5% scholen met zeer veel spreiding

Wat leert ons deze visual:

  • de onderlinge verschillen tussen de scholen zijn groot, en groter dan het ‘effect’ van de schoolweging;
  • het ‘effect’ van schoolweging is beduidend groter dan het effect van de ‘spreiding’, maar dit effect is er wel;
  • op heterogene scholen liggen de prestaties door de bank genomen lager, dan op scholen met minder of nauwelijks spreiding;
  • op scholen met een lage schoolweging én met zeer weinig spreiding, liggen de prestaties het hoogst. Bij een hoge schoolweging is dit ‘voordeel’ van homogeniteit er niet meer.

In de volgende visual zijn de 5% basisscholen met een zeer hoge spreiding (P95>) apart weergegeven. Ook zijn in de visual de signaleringswaarde en de landelijke referentie ingetekend. Het toont eens te meer aan dat er een licht effect is van een zeer hoge spreiding op de prestaties.

De volgende visual toont het effect van de schoolweging op beide prestatie-indicatoren, en vergelijkt dit effect met het effect van de spreiding van de achterstandsscores.
Nogmaals blijkt dat het laatste effect beperkt is, want de lijn is vrijwel horizontaal. De lijn van de schoolweging laat een sterker verband zien: hoe hoger de schoolweging, des te lager de indicatoren.

besmettingsgolf

Sinds de besmettingsgolf begin juli 2021, heeft het CBS nog geen update gedaan van de bijna wekelijkse presentatie van de oversterfte. Vooruitlopend hierop een update alhier.

Of de besmettingsgolf van juli leidt tot een oversterfte, zoals deze ten tijde van de 1ste en 2de golf zichtbaar waren is nog niet bekend: De periode tussen besmetting en onverhoopt overlijden door Corona is veelal langer dan twee á drie weken. De recentste periode zal ik dan ook aangeven met “vóór de 3de golf/besmettingsgolf”:

In de afgelopen 52 weken (week 28) zijn ongeveer 166.400 overledenen geteld, dat terwijl het meerjarengemiddelde pakweg 155.900 bedraagt. En dat is een verschil van +7.4%. In dit percentage zijn de overledenen ten tijde van de 1ste Coronagolf inmiddels niet meer meegenomen: de oversterfte in deze cijfers kom vooral door de oversterfte ten tijde van de 2de Coronagolf en voor een klein deel ook in de oversterfte ten tijde van de hittegolf van 2020.

Hieronder een overzicht van de gehele periode sinds het uitbrekend van de Corona-epidemie in Nederland:

De bovenstaand visual laat nogmaals de overledenen zien ten tijde va de eerste Coronagolf (week 11-19), de oversterfte ten tijde van de hittegolf (week 33-34) en de langere tweede Coronagolf met twee pieken (week 39-6).
De visual is naar model van het CBS, met een onderscheid naar drie leeftijdsgroepen én met een aparte weergave van de overleden Wlz-gebruikers (gebruikers van zware, intensieve zorg, wo. kwetsbare ouderen, mensen met een handicap en mensen met een psychische aandoening).
Ook laat de visual zien welke aantallen overledenen verwacht waren. In de volgende visual is de oversterfte sinds de 1ste Coronagolf opgeteld:

Daaruit blijkt dat met name onder 80-plussers én Wlz-gebruikers de oversterfte sinds de 1ste Coronagolf het hoogste is, namelijk ±8.800 onder Wlz-gebruikers (was eerder ±10.300) en ±10.400 onder 80-plussers (was eerder ±12.000).
Op dit moment stijgt de oversterfte onder de 65-80 jarigen en 65-minners.
In percentages ziet de oversterfte er als volgt uit:

Hoewel in omvang de oversterfte onder Wlz-gebruikers lager is dan onder 80-plussers, is in percentages de oversterfte onder deze groep het hoogst. Inmiddels zijn beide percentages na de 2de golf gedaald. Er is sprake van een periode van ondersterfte.
Onder de twee jongere leeftijdsgroepen is helaas de oversterfte verder toegenomen. Ook ontbreken er de perioden van ondersterfte, zoals deze wel zichtbaar zijn onder de 80-plussers en de Wlz-gebruikkers. Inmiddels ligt het percentage oversterfte onder 65-80 jarigen ruimschoots boven dat van de 80-plussers en de Wlz-gebruikers.
Het aandeel in de oversterfte van deze twee jongere leeftijdgroepen is dus aan het stijgen:

In de volgende visual zijn er vier periode onderscheiden, namelijk de perioden tijdens en ná de twee Corona-golven. Bij aanvang van elke van deze perioden, zijn de percentages gereset:

Het blijkt dat in de periode ná de Corona-golf, de oversterfte voor beide groepen verder oploopt.