prestaties van scholen

De LeerWinst-methode maakt het mogelijk om toegevoegde waarde van basisscholen te peilen. Is daarmee de kwaliteitsvraag van alle betrokkenen beantwoord: neen! De Loos Monitoring kiest er voor om voor alle onderwijspartners (actoren) een eigen indicator te ontwikkelen.

1. indicator “percentage voldoende niveau” voor de schoolbesturen en onderwijsinspectie
2. indicator “achterstandsvermindering” voor gemeenten en lokale instellingen
3. indicator “gemiddeld prestatieniveau” voor ouders en profilering
4. indicator “leerwinst” voor school en team

Voor alle vier de indicator geldt dat De Loos Monitoring beschikt over een uitgewerkte berekeningswijze en relevante side-informatie. Alle indicatoren zijn positief gepoold (zoals alle indicatoren van De Loos Monitoring), d.w.z. “hoe gunstige het effect, des te hoger het resultaat”. Ze behoeven geen nieuwe toetsing, de actuele uitkomsten kunnen zonder extra datalevering worden uitgerekend en hebben een landelijke referentie.

peiling door schoolbesturen
De Loos Monitoring raadt schoolbesturen aan voor haar basisscholen regulier deze vierledige prestatiepeiling te laten uitvoeren. Toetresultaten kunnen worden centraal worden verzameld zonder belasting van de scholen via “het toetsdepot”:
. helaas bieden de huidige toetsadministraties (zoals LOVS, ParnasSys e.a.) geen peiling van toegevoegde waarde van groepen leerlingen
. meer dan de andere actoren passen de effectpeilingen binnen de opdracht van besturen
. snel uitvoerbaar, ook bij calamiteiten of ongunstige beoordeling van inspectie
. de aanpak stimuleert school en bestuur positief de nadere prononcering van de eigen en unieke visie, positie en profiel
. versterkt een heldere rolverdeling en afbakeningen van verantwoordelijkheid
. beperkte kosten

Hieronder kort een onderwijs-inhoudelijk beargumentering van het verlaten van een enkelvoudige prestatie-indicator voor het basisonderwijs ten gunstige van een vier-ledige prestatiepeiling.

1. percentage voldoende niveau
Bij taalverwerving dienen groepen leerlingen te worden onderscheiden:
◦ leerlingen met een beperkte leercapaciteit
◦ leerlingen met leerachterstanden
◦ leerlingen zonder leerachterstanden
Relevant is na te gaan hoe groot de groep leerlingen is die te kampen heeft met aanzienlijke leerachterstanden dan wel met een beperkte leercapaciteit. Voor deze groepen leerlingen is de basisschool standaard niet geëquipeerd. Maar eenmaal geplaatst zal de school toch moeten zorgdragen voor een passend aanbod.
De indicator toont hier grosso modo het percentage leerlingen waarvoor uitval dreigt. Dat wil zeggen huidige D/E-leerlingen, die indien er geen niveauverbetering plaats heeft, niet voldoende toegerust (zullen) zijn voor een normale start in het voortgezet onderwijs (kb-niveau). Het toont het percentage leerlingen waarvan zonder gerichte aanpak of intensiveringen het reguliere basisonderwijs geen aanbod is.
De primaire verantwoordelijke is het schoolbestuur. Dat is immers met de subsidiënt de opdracht aangegaan leerlingen te brengen op een voldoende vaardigheid voor het voortgezet onderwijs. Indien op een school te veel leerlingen dit niveau niet halen, kan het wel het bestuur worden verweten: deze zal een extra investering moeten plegen en de school inde gelegenheid te stellen voor deze groep leerlingen alsnog een passend aanbod aan te kunnen bieden. Een lage uitkomst kan dus moeilijk de school worden verweten; haar primaire zorg is immers te trachten de achterstanden te verminderen en niet om leerlingen te dumpen (of niet toe te laten). Het is aan het bestuur om de grenzen aan te geven, wanneer de inspanningen onvoldoende renderen en de toezegging richting ouders en overheid niet kan worden waargemaakt. Verder kan een bestuur zorg dragen voor een beter passend aanbod.
Besturen geven de marges aan welk deel van de populatie onvoldoende beheersingsniveau kan hebben binnen het reguliere aanbod. Indien dit percentage hoger ligt, kunnen zij zorg dragen voor versterkt basisonderwijs of alternatief aanbod (inclusief stroomlijning van de overgang).
Centrale opdracht aan het basisonderwijs is alle leerlingen op een voldoende niveau te brengen. De indicator toont in welke mate het basisonderwijs hierin slaagt.

2. achterstandsvermindering
Onderwijs is een maatschappelijke voorziening om een ieder in de samenleving in principe een gelijke kans geven op een succesrijk en betekenisvol perspectief. Het onderwijs is deels gericht op de bestrijding van onderwijsachterstanden. Daarbij vormt bestrijding van taalachterstanden een voornaam aspect, omdat veel achterstandsleerlingen te kampen hebben met taalachterstanden, welke in een latere fase zich ook uitstrekken tot achterstanden in andere vaardigheden.
De indicator peilt in welke mate leerlingen met achterstanden er in slagen in te lopen. De indicator richt zich primair op die taalvaardigheden welke ook van essentieel belang zijn voor instructie.
Scholen hebben vrijwel allemaal te maken met taalachterstanden. De bestrijding is primair een taak van de school en wordt daar van overheidswege (landelijke en gemeentelijk) voor geëquipeerd. Taalachterstanden zijn veelal gerelateerd aan een taalarme thuissituatie die over beperkte mogelijkheden beschikt.
Leerlingen met taalachterstanden vormen een gemêleerde groep met uiteenlopende achtergrond¬kenmerken en wisselende onderwijsgeschiedenis. Het aan de school om hierbij binnen de grenzen van eigen mogelijkheden een optimum te vinden van een effectieve bestrijding, zonder al te zeer in te leveren op het onderwijs aan leerlingen zonder leerachterstanden.
Aanpak van taalachterstanden dient planmatig en structureel te worden aangepakt; het vergt een aanpak over alle leerjaren van het basisonderwijs. De indicator toont in welke met de basisschool en de leerkrachten hierin zijn geslaagd.

3. gemiddeld prestatieniveau
Een goede taalvaardigheid in het Nederlands vormt een belangrijke vaardigheid voor het vervolg¬onderwijs; In het basisonderwijs wordt de ook basis gelegd voor een aantal andere essentiële vaardigheden.
Gezien het belang van prestaties en vaardigheden, moet het onderwijs op basisscholen voor een belangrijk deel gericht te zijn op het optimaal benutten van de leercapaciteit. Dit kan niet los worden gezien van zaken als veilige leeromgeving, interesse en motivatie van leerlingen, gezondheid en welbevinden van leerlingen. Ook voor leerlingen zonder achterstanden of beperkte leercapaciteit.
De indicator peilt het gemiddelde niveau op de diverse vaardigheden. Daarbij richt het zich vooral op leerlingen die in principe geen taalachterstand of beperkte leercapaciteit hebben.
Het primaire belang van een optimale ontwikkeling ligt bij de ouders. Weliswaar is de school als eerste aanzet om de leerlingen te brengen op een voldoende niveau, maar voor het bereiken van een optimum is de inbreng van de ouders noodzakelijk. Het is de opdracht aan ouders zorgt te dragen voor een taalrijke omgeving en onderwijsondersteunend gedrag.
Het primaire belang is gelegen in een zo hoog mogelijk prestatieniveau en daarmee de mogelijkheden voor een kansrijk en geïnspireerd vervolg op het basisonderwijs. De indicator toont de mate waarin de school samen met haar natuurlijke partner, de ouders, hierin slaagt.

4. leerwinst (schooleffectiviteit)
Het basisonderwijs legt een voorname basis voor de cognitieve ontwikkeling, kennis en vaardigheden. Er is veel geïnvesteerd op scholen om het taalonderwijs te verbeteren. Uitgangspunt is dat alle scholen min of meer op maat geëquipeerd zijn om kwalitatief goed taalonderwijs te realiseren. In welke mate zij hierin slagen kan met name worden afgemeten aan de toegevoegde waarde, waarbij is gecorrigeerd voor ondermeer aanleg en het aanvankelijke niveau.
De indicator peilt in welke mate op scholen erin slagen leerlingen beter te laten presteren dan op grond van aanleg en aanvankelijk startniveau kon worden verwacht. Daarbij worden uitdrukkelijk alle leerlingen meegewogen. Berekening van de toegevoegde waarde wordt uitgevoerd op basis van individuele vorderingen conform volgens LeerWinst-methode.
Wettelijk zijn schoolbesturen direct verantwoordelijk voor de onderwijskwaliteit op hun scholen.
Aan schoolbesturen is de opdracht gegeven, conform de gestelde richtlijnen en binnen de beschikbare middelen en personeel, zorg te dragen voor goed kwalitatief onderwijs en scholen hierop te beoordelen. Schooleffectiviteit is echter nadrukkelijk een indicator van het team, waarbij de indicator laat zien of beschikbare middelen, mensen en motivatie ook daadwerkelijk het gewenste effect teweeg hebben gebracht. Het kan laten zien waar en de effecten zichtbaar zijn en de inzet in meer of mindere mate renderen. Daarbij heeft het adagium: “hoe ze het doen, maakt mij niet uit, maar wel dat zij er in slagen”. De indicator vormt een ideale terugkoppeling van resultaten van individuele leerkrachten en schoolteam als geheel.
Toegevoegde waarde dient te worden gelegd naast de inzet van middelen, personeel en lokaliteiten, waarbij er vanuit wordt gegaan dat bij verzwarende omstandigheden ook een navenante uitbreiding van de middelen beschikbaar is.

gerichtheden
Merkt op dat de vier prestatie-indicatoren niet alleen vier onderscheiden (primaire) actoren kent maar alle vier ook een onderscheiden gerichtheid hebben:
1. indicator “percentage voldoende niveau” is gericht op “opbrengsten”
2. indicator “achterstandsvermindering” is gericht op “standaarden”
3. indicator “gemiddeld prestatieniveau” is met name gericht op “kwaliteit”
4. indicator “leerwinst” is met name gericht op “doelmatigheid”
Kritisch kanttekening ten aanzien van effectiviteitsmetingen elders is niet alleen dat er geen helder onderscheid wordt gemaakt tussen de relevantie en bijdragen van de onderscheiden actoren. Daardoor is de school de eerst aangesprokene en kop van jut. Dit maakt scholen kopschuw. Er werd reeds nagedacht over de mogelijkheden va een onderwijskundig failliet. Veel minder kritiek is er op de aanpak en rendement van bestuur, overheid en ouders. Hoewel deze onmiskenbaar een essentiële rol hebben.
Ook wordt niet onderscheid gemaakt tussen de vier complementaire gerichtheden, die maken dat een benadrukking van een enkel voordeel, mogelijk te koste gaat van andere waardevolle en relevante aspecten.
In veel andere effectiviteitspeilingen zijn de actoren en gerichtheden zijn meegenomen. Maar omdat er geen heldere keuzes zijn gemaakt lopen de diverse aspecten door elkaar en zijn ze niet meer goed te onderscheiden en werken ze verwarring in de hand. De Loos Monitoring legt met zijn aanpak een basis voor een heldere informatie over onderwijsprestaties, verdeeld expliciet opdrachten die gekoppeld moeten worden aan de resultaten en toont de samenhangen die in overleg met direct betrokkenen het best in balans weten te brengen.

thema’s
aanpak
relevante artikelen