• Home

Categorie: prestatie

Er is een nieuwe reeks open datasets beschikbaar rondom de overgang (speciaal) basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs. Met daarin onder meer:

. de verstrekte adviezen
. de toetsresultaten en toetsadviezen (hoger of lager dan het aanvankelijke basisschooladvies)
. toetskeuzes van scholen (inclusief de toets-switchers). referentiekaders (lees-, taal- en rekenvaardigheid)
. de heroverwegingen die al dan niet leiden tot een bijgesteld advies
. de verlate overgang van zittenblijvers

De Loos Monitoring heeft bijgedragen aan de opzet van deze datasets.

 

De leerwinst-methode beoogt voor een ieder, ongeacht het systeem of methodiek, zicht te bieden op de ontwikkelingen van prestaties en toegevoegde waarde. De Loos Monitoring beschikt daarom over diverse omzettingen van en naar de eigen waarden prestatieniveau en leerwinst:
-> niveauwaarde (binnen ParnasSys);
-> percentielen (eindtoets en entreetoets CITO);
-> IQ-schaal (intelligentietoets NIO);
-> vaardigheidsniveau (binnen LOVS).
prestatieniveau vs. niveauwaarde
Voor de vergelijking van het prestatieniveau (leerwinst-methode) en de niveauwaarde (ParnasSys), dient 2.9 punt af te worden getrokken van de niveauwaarde en moet de uitkomst worden gepercenteerd: prestatieniveau van +60% komt dus overeen met niveauwaarde +3.50. Het voorbeeld van het prestatieniveau is dat het aangeeft over welk deel van de leerlingen het gaat (nl. 60% van de leerlingen presteert één vaardigheidsniveau hoger dan landelijk). Maar het voornaamste voordeel is dat het prestatieniveau is ingebed in een methode om toegevoegde waarde te peilen. ParnasSys benut de niveauwaarde vooralsnog niet als maat voor schooleffectiviteit.
prestatieniveau vs. IQ-schaal
Voor de vergelijking van het prestatieniveau (leerwinst-methode) en een intelligentiequotiënt (bv. NIO) heeft De Loos Monitoring een omzettingstabel opgesteld op basis van een genormaliseerde verdeling met een gemiddelde van 100 en standaarddeviatie 15 (ook voor sd=16).
Bij deze omzetting resulteert een prestatieniveau van +60 in een quotiëntwaarde van 104. Het voorbeeld van het prestatieniveau is dat het een sterker onderscheidend vermogen heeft in het middengebied in vergelijking met een quotiëntschaal. Bij extremere resultaten blijven quotiëntwaarden binnen een redelijk bereik, en hebben mogelijk een meerwaarde bij prestatiepeiling in geval van leerachterstanden, talentscholen of in het speciaal onderwijs. Voor een peiling van toegevoegde waarde zijn quotiëntwaarden echter ongeschikt.
prestatieniveau vs. percentiel
Voor een vergelijking maken met aloude school- en gebiedsrapporten, is nu ook mogelijk de centrale indicatoren in de leerwinst-methode, te weten prestatieniveau en leerwinst, uit te drukken in percentielen. Dit op suggestie van de PO-raad.
Uiteraard past de binnen de leerwinst-methode ontwikkelde schaling van prestatieniveau en leerwinst beter bij een onderwijskundig en verbeteringsgericht gebruik van deze indicatoren, in vergelijking met de wat rekenkundige herkomst van percentielcijfers.
Hieronder een voorbeeld waarin prestatieniveau en leerwinst ook zijn uitgedrukt in percentielen (het voorbeeld is ontleend aan een berekening voor een college):

hierbij de volgende opmerkingen:
. aantal betreft het aantal leerlingen dat getoetst is
. de landelijke gemiddelden voor (prestatie-)niveau en (leer-)winst zijn beide 0% (met een bereik van 500% = vijf vaardigheidsniveaus)
. de bijhorende percentielen zijn respectievelijk 50% en 0% (met een bereik van 100% = totale referentie)
Merk op dat relevante verschillen, uitgedrukt in percentielen, minder opvallen: vergelijk bijvoorbeeld het percentielverschil tussen 42% en 41% (rekenen in groep 4 2007/2008 vs. 2008/2009), waarbij in één jaar tijd het prestatieniveau de facto met 6% is gedaald (d.w.z. dat 6% van de leerlingen in de gemeente presteert één vaardigheidsniveau lager dan de leerlingen in het voorgaande jaar).

Tags:

De LeerWinst-methode maakt het mogelijk om toegevoegde waarde van basisscholen te peilen. Is daarmee de kwaliteitsvraag van alle betrokkenen beantwoord: neen! De Loos Monitoring kiest er voor om voor alle onderwijspartners (actoren) een eigen indicator te ontwikkelen.

1. indicator “percentage voldoende niveau” voor de schoolbesturen en onderwijsinspectie
2. indicator “achterstandsvermindering” voor gemeenten en lokale instellingen
3. indicator “gemiddeld prestatieniveau” voor ouders en profilering
4. indicator “leerwinst” voor school en team

Voor alle vier de indicator geldt dat De Loos Monitoring beschikt over een uitgewerkte berekeningswijze en relevante side-informatie. Alle indicatoren zijn positief gepoold (zoals alle indicatoren van De Loos Monitoring), d.w.z. “hoe gunstige het effect, des te hoger het resultaat”. Ze behoeven geen nieuwe toetsing, de actuele uitkomsten kunnen zonder extra datalevering worden uitgerekend en hebben een landelijke referentie.

peiling door schoolbesturen
De Loos Monitoring raadt schoolbesturen aan voor haar basisscholen regulier deze vierledige prestatiepeiling te laten uitvoeren. Toetresultaten kunnen worden centraal worden verzameld zonder belasting van de scholen via “het toetsdepot”:

. helaas bieden de huidige toetsadministraties (zoals LOVS, ParnasSys e.a.) geen peiling van toegevoegde waarde van groepen leerlingen
. meer dan de andere actoren passen de effectpeilingen binnen de opdracht van besturen
. snel uitvoerbaar, ook bij calamiteiten of ongunstige beoordeling van inspectie
. de aanpak stimuleert school en bestuur positief de nadere prononcering van de eigen en unieke visie, positie en profiel
. versterkt een heldere rolverdeling en afbakeningen van verantwoordelijkheid
. beperkte kosten

Hieronder kort een onderwijs-inhoudelijk beargumentering van het verlaten van een enkelvoudige prestatie-indicator voor het basisonderwijs ten gunstige van een vier-ledige prestatiepeiling.

1. percentage voldoende niveau
Bij taalverwerving dienen groepen leerlingen te worden onderscheiden:
◦ leerlingen met een beperkte leercapaciteit
◦ leerlingen met leerachterstanden
◦ leerlingen zonder leerachterstanden

Relevant is na te gaan hoe groot de groep leerlingen is die te kampen heeft met aanzienlijke leerachterstanden dan wel met een beperkte leercapaciteit. Voor deze groepen leerlingen is de basisschool standaard niet geëquipeerd. Maar eenmaal geplaatst zal de school toch moeten zorgdragen voor een passend aanbod.
De indicator toont hier grosso modo het percentage leerlingen waarvoor uitval dreigt. Dat wil zeggen huidige D/E-leerlingen, die indien er geen niveauverbetering plaats heeft, niet voldoende toegerust (zullen) zijn voor een normale start in het voortgezet onderwijs (kb-niveau). Het toont het percentage leerlingen waarvan zonder gerichte aanpak of intensiveringen het reguliere basisonderwijs geen aanbod is.
De primaire verantwoordelijke is het schoolbestuur. Dat is immers met de subsidiënt de opdracht aangegaan leerlingen te brengen op een voldoende vaardigheid voor het voortgezet onderwijs. Indien op een school te veel leerlingen dit niveau niet halen, kan het wel het bestuur worden verweten: deze zal een extra investering moeten plegen en de school inde gelegenheid te stellen voor deze groep leerlingen alsnog een passend aanbod aan te kunnen bieden. Een lage uitkomst kan dus moeilijk de school worden verweten; haar primaire zorg is immers te trachten de achterstanden te verminderen en niet om leerlingen te dumpen (of niet toe te laten). Het is aan het bestuur om de grenzen aan te geven, wanneer de inspanningen onvoldoende renderen en de toezegging richting ouders en overheid niet kan worden waargemaakt. Verder kan een bestuur zorg dragen voor een beter passend aanbod.
Besturen geven de marges aan welk deel van de populatie onvoldoende beheersingsniveau kan hebben binnen het reguliere aanbod. Indien dit percentage hoger ligt, kunnen zij zorg dragen voor versterkt basisonderwijs of alternatief aanbod (inclusief stroomlijning van de overgang).
Centrale opdracht aan het basisonderwijs is alle leerlingen op een voldoende niveau te brengen. De indicator toont in welke mate het basisonderwijs hierin slaagt.

2. achterstandsvermindering
Onderwijs is een maatschappelijke voorziening om een ieder in de samenleving in principe een gelijke kans geven op een succesrijk en betekenisvol perspectief. Het onderwijs is deels gericht op de bestrijding van onderwijsachterstanden. Daarbij vormt bestrijding van taalachterstanden een voornaam aspect, omdat veel achterstandsleerlingen te kampen hebben met taalachterstanden, welke in een latere fase zich ook uitstrekken tot achterstanden in andere vaardigheden.
De indicator peilt in welke mate leerlingen met achterstanden er in slagen in te lopen. De indicator richt zich primair op die taalvaardigheden welke ook van essentieel belang zijn voor instructie.
Scholen hebben vrijwel allemaal te maken met taalachterstanden. De bestrijding is primair een taak van de school en wordt daar van overheidswege (landelijke en gemeentelijk) voor geëquipeerd. Taalachterstanden zijn veelal gerelateerd aan een taalarme thuissituatie die over beperkte mogelijkheden beschikt.
Leerlingen met taalachterstanden vormen een gemêleerde groep met uiteenlopende achtergrond¬kenmerken en wisselende onderwijsgeschiedenis. Het aan de school om hierbij binnen de grenzen van eigen mogelijkheden een optimum te vinden van een effectieve bestrijding, zonder al te zeer in te leveren op het onderwijs aan leerlingen zonder leerachterstanden.
Aanpak van taalachterstanden dient planmatig en structureel te worden aangepakt; het vergt een aanpak over alle leerjaren van het basisonderwijs. De indicator toont in welke met de basisschool en de leerkrachten hierin zijn geslaagd.

3. gemiddeld prestatieniveau
Een goede taalvaardigheid in het Nederlands vormt een belangrijke vaardigheid voor het vervolg¬onderwijs; In het basisonderwijs wordt de ook basis gelegd voor een aantal andere essentiële vaardigheden.
Gezien het belang van prestaties en vaardigheden, moet het onderwijs op basisscholen voor een belangrijk deel gericht te zijn op het optimaal benutten van de leercapaciteit. Dit kan niet los worden gezien van zaken als veilige leeromgeving, interesse en motivatie van leerlingen, gezondheid en welbevinden van leerlingen. Ook voor leerlingen zonder achterstanden of beperkte leercapaciteit.
De indicator peilt het gemiddelde niveau op de diverse vaardigheden. Daarbij richt het zich vooral op leerlingen die in principe geen taalachterstand of beperkte leercapaciteit hebben.
Het primaire belang van een optimale ontwikkeling ligt bij de ouders. Weliswaar is de school als eerste aanzet om de leerlingen te brengen op een voldoende niveau, maar voor het bereiken van een optimum is de inbreng van de ouders noodzakelijk. Het is de opdracht aan ouders zorgt te dragen voor een taalrijke omgeving en onderwijsondersteunend gedrag.
Het primaire belang is gelegen in een zo hoog mogelijk prestatieniveau en daarmee de mogelijkheden voor een kansrijk en geïnspireerd vervolg op het basisonderwijs. De indicator toont de mate waarin de school samen met haar natuurlijke partner, de ouders, hierin slaagt.

4. leerwinst (schooleffectiviteit)
Het basisonderwijs legt een voorname basis voor de cognitieve ontwikkeling, kennis en vaardigheden. Er is veel geïnvesteerd op scholen om het taalonderwijs te verbeteren. Uitgangspunt is dat alle scholen min of meer op maat geëquipeerd zijn om kwalitatief goed taalonderwijs te realiseren. In welke mate zij hierin slagen kan met name worden afgemeten aan de toegevoegde waarde, waarbij is gecorrigeerd voor ondermeer aanleg en het aanvankelijke niveau.
De indicator peilt in welke mate op scholen erin slagen leerlingen beter te laten presteren dan op grond van aanleg en aanvankelijk startniveau kon worden verwacht. Daarbij worden uitdrukkelijk alle leerlingen meegewogen. Berekening van de toegevoegde waarde wordt uitgevoerd op basis van individuele vorderingen conform volgens LeerWinst-methode.
Wettelijk zijn schoolbesturen direct verantwoordelijk voor de onderwijskwaliteit op hun scholen.
Aan schoolbesturen is de opdracht gegeven, conform de gestelde richtlijnen en binnen de beschikbare middelen en personeel, zorg te dragen voor goed kwalitatief onderwijs en scholen hierop te beoordelen. Schooleffectiviteit is echter nadrukkelijk een indicator van het team, waarbij de indicator laat zien of beschikbare middelen, mensen en motivatie ook daadwerkelijk het gewenste effect teweeg hebben gebracht. Het kan laten zien waar en de effecten zichtbaar zijn en de inzet in meer of mindere mate renderen. Daarbij heeft het adagium: “hoe ze het doen, maakt mij niet uit, maar wel dat zij er in slagen”. De indicator vormt een ideale terugkoppeling van resultaten van individuele leerkrachten en schoolteam als geheel.
Toegevoegde waarde dient te worden gelegd naast de inzet van middelen, personeel en lokaliteiten, waarbij er vanuit wordt gegaan dat bij verzwarende omstandigheden ook een navenante uitbreiding van de middelen beschikbaar is.

gerichtheden
Merkt op dat de vier prestatie-indicatoren niet alleen vier onderscheiden (primaire) actoren kent maar alle vier ook een onderscheiden gerichtheid hebben:

1. indicator “percentage voldoende niveau” is gericht op “opbrengsten”
2. indicator “achterstandsvermindering” is gericht op “standaarden”
3. indicator “gemiddeld prestatieniveau” is met name gericht op “kwaliteit”
4. indicator “leerwinst” is met name gericht op “doelmatigheid”

Kritisch kanttekening ten aanzien van effectiviteitsmetingen elders is niet alleen dat er geen helder onderscheid wordt gemaakt tussen de relevantie en bijdragen van de onderscheiden actoren. Daardoor is de school de eerst aangesprokene en kop van jut. Dit maakt scholen kopschuw. Er werd reeds nagedacht over de mogelijkheden va een onderwijskundig failliet. Veel minder kritiek is er op de aanpak en rendement van bestuur, overheid en ouders. Hoewel deze onmiskenbaar een essentiële rol hebben.
Ook wordt niet onderscheid gemaakt tussen de vier complementaire gerichtheden, die maken dat een benadrukking van een enkel voordeel, mogelijk te koste gaat van andere waardevolle en relevante aspecten.
In veel andere effectiviteitspeilingen zijn de actoren en gerichtheden zijn meegenomen. Maar omdat er geen heldere keuzes zijn gemaakt lopen de diverse aspecten door elkaar en zijn ze niet meer goed te onderscheiden en werken ze verwarring in de hand. De Loos Monitoring legt met zijn aanpak een basis voor een heldere informatie over onderwijsprestaties, verdeeld expliciet opdrachten die gekoppeld moeten worden aan de resultaten en toont de samenhangen die in overleg met direct betrokkenen het best in balans weten te brengen.

prestatieprofiel
De leerwinst-methode kent een nieuwe loot aan de boom: het vernieuwde prestatieprofiel.
Deze lijkt als twee druppels als het aloude profiel van vaardigheidsniveaus. Maar dit profiel past binnen de leerwinst-systematiek én heeft de nauwkeurigheid van vaardigheidsscores. En dit profiel geeft een goed zicht op de niveauverschillen tussen leerlingen.


De leerwinst-methode beoogt helder zicht te bieden op prestaties en toegevoegde waarde. Centrale indicatoren zijn het ‘prestatieniveau’ en de ‘leerwinst’. Deze en andere indicatoren onderscheiden zich doordat ze helder verschillen en trends tonen van vaardigheden, leerjaren, schooljaren, vestigingen en groepen leerlingen.
Het nieuwe prestatieprofiel maakt nu ook goed niveauverschillen tussen leerlingen zichtbaar. Daarnaast komt het prestatieprofiel zeer bekend voor, voor leerkrachten, scholen en begeleidingsdiensten: het ziet er namelijk hetzelfde uit als het aloude en bekende profiel van vaardigheidsniveaus. Met dat verschil dat het prestatieprofiel veel nauwkeuriger meet en alle voordelen van de leerwinst-methode in zich herbergt om te kunnen inzoomen op details en uitzoomen tot hoofdlijnen: het is immers afgeleid van de individuele prestatieniveaus.
nauwkeurigheid prestatieprofiel
Het voordeel om het prestatieniveau als uitgangspunt te nemen zijn onder meer:
· het prestatieniveau is samengesteld op basis van verschillenden genormeerde scores, zoals de vaardigheidsniveaus, percentielen, dle’s of intelligentiequotiënten (vrijwel alle toetsresultaten kunnen dus worden meegenomen);
· het prestatieniveau is ongevoelig voor het aantal keer dat een leerling is getoetst op een vaardigheid (alle leerlingen tellen even zwaar mee);
· het prestatieniveau onderscheidt ook verschillen binnen vaardigheidsniveaus (het CITO hanteert een vijfdeling A t/m E), door subniveaus te onderscheiden (op basis van ruwe dan wel schaalscores);
· binnen de leerwinst-methode worden prestatieniveaus niet gekoppeld aan een toets, maar aan een vaardigheid en een competentie.
Voor het opstellen van het prestatieprofiel worden de individuele prestatieniveaus opnieuw ingedeeld in de aloude indeling van de vaardigheidsniveaus, maar dan zo dat de nauwkeurigheid van het prestatieniveau behouden blijft. Een leerling die bijvoorbeeld grotendeels op B-niveau presteert, is dan niet enkel een B-leerling, maar bijvoorbeeld voor 80% een B-leerling en voor 20% een A-leerling. Ook de nauwkeurigheid van bijvoorbeeld een A++ -leerling dan wel een E—leerling, blijft behouden.
figuur en tabel tonen het prestatieprofiel 2007/2008 voor een bepaling van realistische doelstelling in het collegeplan:

De Loos Monitoring heeft voor de gemeente Den Haag een uitvoerig rapportage opgemaakt aangaande de prestaties op de eindtoets basisonderwijs op Haagse scholen voor primair onderwijs
Daartoe zijn in eerste instantie de anonieme eindtoetsgegevens gerelateerd aan een persoonsregistratie ten behoeve van een verbeterde en begeleide overgang Basisonderwijs/voortgezet onderwijs. Hierdoor konden de eindtoetsresultaten worden gerelateerd aan persoonskenmerken van leerlingen én aan het schoolkeuzeadvies en eerste plaatsing in het voortgezet onderwijs.
Gezien de complexiteit van de schoolovergang en de rijkheid, dienden voor een leesbare verslag van de bevindingen tal van (goed interpreteerbare) indicatoren worden ontworpen en ‘slimme’ grafische presentaties worden bedacht. Een en ander heeft geresulteerd in een rapportage die nog steeds als model dient voor, veelal vereenvoudigde, rapportages elders.
In vervolg hierop heeft het CITO, De Loos Monitoring gevraagd behulpzaam te zijn bij vervolgrapportages.

De Loos Monitoring biedt een totaalpakket van diensten en producten voor uw monitoring. Zij wil een alternatief zijn voor onderzoek en evaluatie in de werkvelden arbeid, educatie, welzijn en zorg. Zij is bekend met de beleidsterreinen, beleidsprocessen en betrokken instellingen.
taalmonitor 2007
De taalmonitor behelst een lokale monitoring van taalvaardigheden en benchmarking van scholen. Tevens ontvangen deelnemende scholen en peuterspeelzalen een schooleigen rapport met een lokale vergelijking en de eigen ontwikkeling. In 2009 is de Taalmonitor verbreed tot de Prestatiemonitor.
De taalmonitor en prestatiemonitor analyseert lokale toetsresultaten uit een periode van zes schooljaren.
In 2004 is de hulp van De Loos Monitoring ingeroepen om de gegevenslevering te stroomlijnen en de belangrijkste tendenzen zichtbaar te maken. Sindsdien is de taalmonitor ontwikkeld: het biedt naast een lokaal overzicht van de taalprestaties ook schoolrapportages, waarmee scholen hun eigen ontwikkeling kunnen vergelijken met de lokale situatie.
Ondanks gebruik van verschillende toetsen op en binnen de scholen en de verschillende toetsmomenten, is De Loos Monitoring er in geslaagd een eenduidig beeld te schetsen van de lokale taalvorderingen:


Dit voorbeeld uit 2006 toont resultaten op vijf toetsen op 10 scholen uit twee schooljaren om een robuuster indicatie te krijgen van het onderscheiden taalniveau’s voor de vier leerlingengewichten. Daartoe zijn alle resultaten worden omgeschaald. Kinderen die vaker zijn getoetst of meerdere deeltoetsen zijn afgenomen, zijn gewogen.
In 2009 zag eenzelfde analyse er als volgt uit (klik op het figuur van 2009 voor een nadere toelichting):

prestatie-indicatoren
Voor een betere vergelijkingen van vaardigheden zijn nieuwe indicatoren ontwikkeld, zoals:
· niveauprofiel (voor vergelijking tussen vaardigheden onderling)
· prestatieniveau (voor het afzetten tegenover de landelijke norm en voor geavanceerde grafische presentaties)
· uitval (schatting van het percentage leerlingen waarvoor uitval dreigt, d.w.z. dat zij aan het einde van het basisonderwijs niet het minimum vaardigheidsniveau voor het voortgezet onderwijs zullen verwerven)
· leerwinst (voor longitudinale vergelijking van prestatieverbeteringen en onderwijsrendement)
vaardigheden in diverse VVE-projecten vergeleken
Voor de taalmonitor zijn regionaal, digitaal toetsresultaten verzameld uit alle leerjaren en voor alle vaardigheden in het basisonderwijs én de peuterspeelzalen.
Hierdoor was het mogelijk naast een factsheet ‘eindtoetsen’ ook een factsheet ‘voor- en vroegschoolse educatie’ te maken.
In de VVE-factsheets zijn de peuter- en kleuterprestaties van drie groepen onderscheiden:
· scholen en voorscholen werkend met Piramide
· scholen werkend met Startblokken (in deze methode vindt er geen toetsing plaats in de voorschool)
· scholen zonder voorschool

De Prestatiemonitor 2009 doet verslag van de analyse van de toetsresultaten 2003/’04-2008/’09 van scholen in de gemeente Steenwijkerland. De rapportage is opgesteld in opdracht van de gemeente Steenwijkerland. Het doel van de Prestatiemonitor is om een oordeel te kunnen vellen over de ontwikkelingen in het kader van het lokale beleid op het terrein van begrip, taal, rekenen, onderwijsachterstanden en de voor- en vroegschoolse educatie binnen de gemeente Steenwijkerland.
Voor deze Prestatiemonitor hebben de Steenwijkerlandse basisscholen en één voorschool toetsresultaten beschikbaar gesteld.
Naast de toetsresultaten van de groepen 3 tot en met 8 doet de Prestatiemonitor 2009 verslag van de resultaten op de kleutertoetsen van groep 1 en 2, omdat het in verband met het Steenwijkerlandse Voor- en Vroegschoolse Educatiebeleid (VVE) relevant is om de resultaten van de instromende kleuters in kaart te brengen.
In deze rapportage wordt allereerst kort ingegaan op de vaardigheidsniveaus die het CITO hanteert. Deze benadering is als uitgangspunt genomen voor de prestatiemonitor. Mede hierdoor kunnen de resultaten in deze Prestatiemonitor worden afgezet tegen het landelijke beeld.
De resultaten worden gepresenteerd aan de hand van de volgende vragen:
· hoe zijn de resultaten op de competentie begrip?
· hoe zijn de resultaten op de competentie taal?
· hoe zijn de resultaten op rekenen?
· wat zijn de resultaten op de kleutertoetsen?
· is er sprake van onderwijsachterstanden?
In de herfst van 2004 verscheen de Taalmonitor voor het eerst, waarna tot 2008 de analyse jaarlijks werd geactualiseerd. De Prestatiemonitor bouwt voort op deze Taalmonitor. De prestatiemonitor is echter niet te vergelijken met de taalmonitor, de gegevens van beide kunnen niet naast elkaar gelegd worden. De Prestatiemonitor 2009 wijkt op de volgende punten af van de Taalmonitor:
· alle basisscholen in Steenwijkerland nemen deel;
· alle taalvaardigheden en rekenvaardigheden worden meegenomen;
· onderwijsachterstanden worden in één hoofdstuk besproken (en vormen niet langer het centrale perspectief);
· de indicator uitval vervangt het percentage E-leerlingen.

De Prestatiemonitor gaat uit van de eigen toetspraktijk en -visie van scholen. Aan de uitkomsten en met name aan de vergelijking tussen (groepen) scholen en leerjaren mag geen absolute betekenis worden gegeven. Desondanks geven de resultaten, vanwege de omvang en de kwaliteit van de leveringen, een goed beeld van de situatie op de Steenwijkerlandse scholen. Bovendien wordt naast de Prestatiemonitor ook een schoolrapport verstrekt aan iedere school afzonderlijk. Dit rapport geeft op schoolniveau inzicht in de onderwijsprestaties.

De Prestatiemonitor is tot stand gekomen door een samenwerking van De Loos Monitoring en de IJsselgroep. De Loos Monitoring is verantwoordelijk voor de verwerking van de toetsresultaten. De IJsselgroep heeft de totstandkoming van de Prestatiemonitor gecoördineerd en zij beoordeelt samen met de Werkgroep Onderwijsachterstandenbeleid/Brede school de uitkomsten.

De Loos Monitoring heeft in 2010 een bijdrage geleverd in de nadere analyse van de Cito-score in Rotterdam.
aanleiding
In Rotterdam zijn de eindtoetsresultaten lager dan in de andere grote steden Amsterdam, Den Haag en Utrecht. Dit blijkt uit ‘De Staat van Rotterdam’, COS, 2010. Er is sprake van een toename van het verschil van de gemiddelde CITO-toets-scores in Rotterdam, ten opzichte van het landelijk gemiddelde vanaf 2006, terwijl het verschil in de drie andere grote steden ten opzichte van 2006 wat kleiner is geworden.
Hoewel de verschillen klein zijn en de daling niet significant is roept dit vragen op, bij de gemeentelijke overheid, bij de pers, bij ouders, maar ook bij het onderwijsveld zelf. Want, zo zeggen de schoolbesturen, deze uitkomst staat in ieder geval haaks op de inspanningen die zijn geleverd om goed onderwijs te geven.
nadere analyses
In overleg met de wethouder van onderwijs besloten de Rotterdamse schoolbesturen samen met de dienst Jeugd Onderwijs en Samenleving een nadere (vergelijkende) analyse te laten uitvoeren naar de CITO-scores van de afgelopen jaren. De vraag is of er verklaringen kunnen worden gevonden voor de achterblijvende resultaten van de Rotterdamse scholen. Wat zou er anders zijn in Rotterdam dan in de andere grote steden? Wat speelt er hier wat in andere steden minder speelt? Zijn er verklaringen te vinden die een positieve beïnvloeding door de scholen of anderszins mogelijk maken. Zo ja, welke acties zijn er inmiddels ondernomen om te komen tot beter onderwijs (en hebben die al een gunstige effect gehad)?
oogmerk
Deze zoektocht is relevant, omdat het niet alleen begrijpelijk maakt wat er aan de hand is, maar ook omdat dit een begin maakt met te zien wat er aan valt te doen. Het aanpakken van ongunstige eindtoetsresultaten vereist een scherp zicht op de achterliggende oorzaken: sociaal- economische situatie van de stad, leercapaciteit van leerlingen, maar natuurlijk ook effectiviteit van de school en andere schoolkenmerken. Ook wordt nog aandacht geschonken aan zogenoemde meetfouten.
bijdrage
De Loos Monitoring heeft gezocht naar cijfermatige indicaties in welke verschillen kunnen worden toegerekend aan:
· verschillen in leercapaciteit (opleidingen ouders, uitstroom naar speciaal onderwijs, intelligentie)
· verschillen in onderwijsachterstanden (schoolwisselingen, vertragingen, taalachterstanden, herkomst)
· verschillen in schooleffectiviteit (onderlinge verschillen, interventies, inspectietoezicht)
· verschillen door meetproblemen (scheefheid scores, uitsluiten van leerlingen, multi-level probleem, en meer)

van een taalmonitor naar de prestatiemonitor
De Loos Monitoring heeft een taalmonitor ontwikkeld. Deze Taalmonitor analyseert de lokale taalprestaties in het basisonderwijs en laat (anoniem) de verschillen zien tussen de scholen. De deelnemende scholen en peuterspeelzalen ontvangen een eigen schoolrapport, waarin zij zichzelf vergeleken zien in de tijd én met andere scholen, wederom anoniem.
De Taalmonitor is in tweede instantie verbreed tot de Prestatiemonitor, waarin alle schoolse vaardigheden zijn meegenomen. De taalmonitor en prestatiemonitor analyseren lokale toetsresultaten uit een periode van zes schooljaren.
De Loos Monitoring is erin geslaagd om ondanks verschillende toetsen en toetsmomenten tussen en binnen de scholen, een eenduidig beeld te schetsen van de lokale taalvorderingen. De Loos Monitoring heeft daarvoor nieuwe indicatoren ontwikkeld:
• niveauprofiel (voor vergelijking tussen vaardigheden onderling)
• prestatieniveau (voor het afzetten tegenover de landelijke norm en voor geavanceerde grafishe presentaties)
• uitval (schatting van het percentage leerlingen waarvoor uitval dreigt aan het einde van de basisschoolperiode)
• leerwinst (schatting van schooleffectiviteit)

Tags: