• Home

Categorie: design & model

De Loos Monitoring heeft kwaliteitsindicatoren ontworpen speciaal gericht op ouders.
Kwaliteitsindicatoren belichten aspecten die in meer of mindere mate horen bij de rol van onderscheiden onderwijspartners. Ouderindicatoren zijn kwaliteitsindicatoren die zijn expliciet zijn gericht op de rol, verantwoordelijkheden, onderwijsvraag en belangen van ouders.
Ouderindicatoren helpen ouders bij de schoolkeuze. Dan gaat bij de schoolkeuze niet alleen om het niveau of de nabijheid, maar ook of het concept, populatie en profiel hun kinderen past.
Ook wijzen mijn ouderindicatoren op de mate waarin ouders bijdragen aan de onderwijskwaliteit, door om. ouderbetrokkenheid, -participatie en onderwijsondersteuning. Ook kunnen ouders bijdragen aan kwaliteit door te bijdragen aan het voorkomen van schooluitval en/of aandragen van stageplaatsen/studieopdrachten.
De Loos Monitoring heeft voor de Rotterdamse kwaliteitsprofielen de volgende ouderindicatoren ontworpen:
. ouderindicator gemiddeld taalniveau
. ouderindicator onderwijsondersteuning
. ouderindicator spijbelen en presentie
. ouderindicator schooladvies en -keuze
. ouderindicator schoolwisselingen
. ouderindicator verschuiving
. ouderindicator uitstroomprofiel
In het stelsel zijn de indicatoren tezamen min of meer verdeeld over de de onderwijspartners. Maar ook dekken ze min of meer de verschillenden thema’s (profiel, prestaties, leertijd, burgerschap) alsook de verschillende aspecten (doelmatigheid, resultaat, standaarden, kwaliteit) af.

De leerwinst-methode beoogt voor een ieder, ongeacht het systeem of methodiek, zicht te bieden op de ontwikkelingen van prestaties en toegevoegde waarde. De Loos Monitoring beschikt daarom over diverse omzettingen van en naar de eigen waarden prestatieniveau en leerwinst:
-> niveauwaarde (binnen ParnasSys);
-> percentielen (eindtoets en entreetoets CITO);
-> IQ-schaal (intelligentietoets NIO);
-> vaardigheidsniveau (binnen LOVS).
prestatieniveau vs. niveauwaarde
Voor de vergelijking van het prestatieniveau (leerwinst-methode) en de niveauwaarde (ParnasSys), dient 2.9 punt af te worden getrokken van de niveauwaarde en moet de uitkomst worden gepercenteerd: prestatieniveau van +60% komt dus overeen met niveauwaarde +3.50. Het voorbeeld van het prestatieniveau is dat het aangeeft over welk deel van de leerlingen het gaat (nl. 60% van de leerlingen presteert één vaardigheidsniveau hoger dan landelijk). Maar het voornaamste voordeel is dat het prestatieniveau is ingebed in een methode om toegevoegde waarde te peilen. ParnasSys benut de niveauwaarde vooralsnog niet als maat voor schooleffectiviteit.
prestatieniveau vs. IQ-schaal
Voor de vergelijking van het prestatieniveau (leerwinst-methode) en een intelligentiequotiënt (bv. NIO) heeft De Loos Monitoring een omzettingstabel opgesteld op basis van een genormaliseerde verdeling met een gemiddelde van 100 en standaarddeviatie 15 (ook voor sd=16).
Bij deze omzetting resulteert een prestatieniveau van +60 in een quotiëntwaarde van 104. Het voorbeeld van het prestatieniveau is dat het een sterker onderscheidend vermogen heeft in het middengebied in vergelijking met een quotiëntschaal. Bij extremere resultaten blijven quotiëntwaarden binnen een redelijk bereik, en hebben mogelijk een meerwaarde bij prestatiepeiling in geval van leerachterstanden, talentscholen of in het speciaal onderwijs. Voor een peiling van toegevoegde waarde zijn quotiëntwaarden echter ongeschikt.
prestatieniveau vs. percentiel
Voor een vergelijking maken met aloude school- en gebiedsrapporten, is nu ook mogelijk de centrale indicatoren in de leerwinst-methode, te weten prestatieniveau en leerwinst, uit te drukken in percentielen. Dit op suggestie van de PO-raad.
Uiteraard past de binnen de leerwinst-methode ontwikkelde schaling van prestatieniveau en leerwinst beter bij een onderwijskundig en verbeteringsgericht gebruik van deze indicatoren, in vergelijking met de wat rekenkundige herkomst van percentielcijfers.
Hieronder een voorbeeld waarin prestatieniveau en leerwinst ook zijn uitgedrukt in percentielen (het voorbeeld is ontleend aan een berekening voor een college):

hierbij de volgende opmerkingen:
. aantal betreft het aantal leerlingen dat getoetst is
. de landelijke gemiddelden voor (prestatie-)niveau en (leer-)winst zijn beide 0% (met een bereik van 500% = vijf vaardigheidsniveaus)
. de bijhorende percentielen zijn respectievelijk 50% en 0% (met een bereik van 100% = totale referentie)
Merk op dat relevante verschillen, uitgedrukt in percentielen, minder opvallen: vergelijk bijvoorbeeld het percentielverschil tussen 42% en 41% (rekenen in groep 4 2007/2008 vs. 2008/2009), waarbij in één jaar tijd het prestatieniveau de facto met 6% is gedaald (d.w.z. dat 6% van de leerlingen in de gemeente presteert één vaardigheidsniveau lager dan de leerlingen in het voorgaande jaar).

De Loos Monitoring heeft bijdragen aan diverse integratierapporten.

Voor monitoring van integratie worden de volgende indicatoren onderscheiden:
. buurtspiegel (hoe is het verschil tussen de etnisch samenstelling van de school en met die van de vestigingswijk te kenschetsen, vgl. “te wit”/”te zwart”)
. etnisch profiel (hoe is de samenstelling van de schoolpopulatie te kenschetsen, vgl. zwarte/witte scholen)
. evenredigheid (welke deel van de schoolpopulatie is evenredig vertegenwoordigd)
. dominantiegroep (welke groep is absoluut het sterkst vertegenwoordigd op een school) en in welke mate domineert deze groep
. concentratiegroep (welke groep is relatief het sterkst oververtegenwoordigd) en hoe sterk is deze concentratie
. diversiteit (hoeveel groepen zijn redelijk vertegenwoordigd op een vestiging)
. pendel (voorheen witte vlucht vs. zwarte vlucht)
. buurtschool (voorheen zwarte scholen vs. witte scholen)
. segregatie (of mêlering: is er sprake van verschuiving in bestemming van onderwijsdoelgroepen)
Via deze site is toelichting beschikbaar op welke wijze de integratie-indicatoren zijn te berekenen. Hieronder een korte toelichting op de integratie-indicatoren.

uitgangspunten
. concentratie van etnische groepen op één school staat los van een tweetal samenhangende aspecten, te weten pendel en segregatie. Alle drie deze thema’s vormen onderdeel van het integratiedebat, maar worden veelal door elkaar gebruikt. De indicator evenredigheid richt zich uitsluitend op concentratie, ook wel oververtegenwoordiging vs. evenredigheid.
. de indicator moet ‘positief’ gepoold zijn, dat wil zeggen dat een stijgende waarde overeenkomst met een gunstige en gewilde ontwikkeling. Vandaar dat de indicator van naam is veranderd van “concentratie” in “evenredigheid”
. de indicator moet aangeven in welke mate er sprake is van evenredigheid en zo mogelijk feitelijk zijn. De indicator “evenredigheid” geeft aan welk deel van de leerlingen op een school “evenredig zijn”. Maximum waarde is dan ook 100%. Er is geen minimum, immers het is theoretisch niet mogelijk dat alle kinderen onevenredig zijn ten opzicht van een buurt of een wervingsgebied, omdat zij daar zelf deel van uit maken. In absolute betekenis: op een school met een evenredigheid van 80% en een omvang van 100 leerlingen, betekent dit dat voor een optimale evenredigheid (of spiegel) er minimaal 20 leerlingen ‘gewisseld’ dienen te worden (dan wel dat 20 leerlingen onevenredig zijn).

indicator buurtspiegel
De indicator is een maat voor de mate waarin sprake is van een evenwichtige afspiegeling van de bevolkingspopulatie in de schoolpopulatie, of is er sprake van concentratie en segregatie? Schoolpopulatie is een (etnische) afspiegeling van de wijk of van wervingsgebied. Bij concentratie is dat niet het geval.

indicator buurtschool
Is er sprake van pendel? Ligt het wervingsgebied van school in de geografisch nabijheid van de vestiging? Wanneer dat minder het geval is richt de school zich al dan niet expliciet op doelgroepen? Er kan sprake zijn segregatie wanneer een hoge pendelgraad tezamen gaat met concentratie.
Pendel in het licht van integratie in aanvang een waardeneutrale indicatie van het wervingsgebied. Actieve spreiding is niet aan de orde. Desondanks kan impliciet of expliciet sprake zijn van segregatie, in de zin dat scholen de facto een nichevraag bedienen en effectief beperkt toegankelijk zijn voor leerling die niet voldoen aan het nicheprofiel. Pendel kan op wijzen op aanwezigheid van pullfactoren (schoolprofiel, passend onderwijs) en pushfactoren (vlucht). Pendel kan worden berekend op basis van:
. al dan niet overeenkomen van buurt (indicator buurtschool), wijk, deelgemeente (indicator pendel) of gemeente
. eenvoudige of exacte weging van afstand/reistijd tussen woonadres en vestigingsadres

indicator segregatie
De indicator toont de mate waarin de leerlingenpopulatie van de school (wat aanwezigheid van doelgroepen betreft) verschuift. Positief in integratietermen is dat scholen hun bijdrage leveren en ‘verschuiving’ richting het stedelijke gemiddelde (meer gemêleerde scholen). Tegenovergesteld daaraan is de tendens tot verdere segregatie van doelgroepen en onderwijsproblematiek. Verschuiving bekijkt richting van de verandering en niet de actuele spreidingen; daarmee vermijdt de indicator scholen die zich specialiseren en onderscheiden (achterstandsscholen c.q. elitescholen) een onheuse beoordeling.
In het primair onderwijs betreft verschuiving van doelgroepen de zogenaamde gewichtsleerlingen. In het voortgezet onderwijs betreft dit leerlingen in een begeleide leerweg, in casu VMBO-leerlingen met leerwegondersteuning en HAVO/VWO-leerlingen in het volwassenenonderwijs.

Gerichtheid en actoren van integratie- en pendelindicatoren
De gemeente is in deze eerst aangewezen om het bestaan van concentratiescholen inzichtelijk te maken en van daaruit al dan niet maatregelen te nemen. Feitelijk kan concentratie in deze zin worden beschouwd als een verschraling van het oorspronkelijke aanbod (dat houdt tevens een beperkte toegankelijkheid in).
Concentratiescholen kunnen vanuit een positiebepaling en oriëntatie op de onderwijsvraag al dan niet eigener wil een gericht aanbod formuleren en zich hiermee profileren. Spreiding van bevolkingsgroepen over de stad en over de scholen is beperkt door het onderwijs zelf te beïnvloeden. Veeleer kan het worden gezien als het vertrekpunt. In deze zin kunnen integratie-indicatoren worden beschouwd als een doelmatigheidsindicator.
Ouders kiezen de scholen voor hun kinderen, maar dienen dit te doen op basis van alle hun ter beschikking staande informatie en voor hen geldende overwegingen. Er bestaat vrijheid van keuzevrijheid. Gemeente kunnen ter zake informatie betreffende concentratiescholen beschikbaar stellen. Ouders kiezen al dan niet voor een school in de geografische nabijheid dan voor wel een school verder weg, die om andere redenen passend is. In deze zin vormt de pendelindicatoren een resultante van de wijze waarop scholen zich weten te profileren, de onderwijsbehoefte van leerlingen en de overwegingen van de ouders.

De Rotterdamse ROF-cie. Monitoring & Evaluatie produceerde vanaf 2007 het Rotterdams onderwijsverslag.
Het onderwijsverslag beoogt jaarlijks een helder en genuanceerd beeld te geven van het Rotterdamse onderwijs en de kwaliteit te vangen in kwaliteitsprofielen. Het verslag toont in een oogopslag waar sterke punten, zwakke punten en aandachtsgebieden liggen.

In het verslag gelden niet enkel de landelijke normen, maar is doelgericht gekozen voor regionale referenties en grootstedelijke kwaliteitsindicatoren.
Dat is een dappere keuze, een verdieping en precisering van de aanpak door de onderwijsinspectie. Deze keuze toont dat het Rotterdammers ernst is met de kwaliteit van onderwijs.
Er wordt in alle geledingen en op alle niveaus in het Rotterdamse onderwijs met veel inzet en liefde gewerkt aan de kwaliteit van het onderwijs, dat wij aan Rotterdamse kinderen aanbieden. Dat verdient veel waardering, maar ook een kritische blik om te bezien wat er verbeterd kan/moet worden.
Het is de bedoeling om het gevoel van urgentie te vergroten en nuanceren van de problematiek, een bijdrage aan het maken van breed gedragen keuzes, ten einde de Rotterdamse kinderen het onderwijs te bieden waarop zij en zeker ook de stad recht hebben.

Voor het onderwijsverslag 2009, 2010 en 2011 leverde De Loos Monitoring:
. ontwikkeling van visie schoolprofiel
. samenstellen kwaliteitsprofielen
. definitie kwaliteitsindicatoren
. bepaling thema’s webenquête
. ontsluiting bronnen
. functioneel ontwerp levering toetsresultaten
. berekenen resultaten
. vaststellen referentie en normen

De LeerWinst-methode maakt het mogelijk om toegevoegde waarde van basisscholen te peilen. Is daarmee de kwaliteitsvraag van alle betrokkenen beantwoord: neen! De Loos Monitoring kiest er voor om voor alle onderwijspartners (actoren) een eigen indicator te ontwikkelen.

1. indicator “percentage voldoende niveau” voor de schoolbesturen en onderwijsinspectie
2. indicator “achterstandsvermindering” voor gemeenten en lokale instellingen
3. indicator “gemiddeld prestatieniveau” voor ouders en profilering
4. indicator “leerwinst” voor school en team

Voor alle vier de indicator geldt dat De Loos Monitoring beschikt over een uitgewerkte berekeningswijze en relevante side-informatie. Alle indicatoren zijn positief gepoold (zoals alle indicatoren van De Loos Monitoring), d.w.z. “hoe gunstige het effect, des te hoger het resultaat”. Ze behoeven geen nieuwe toetsing, de actuele uitkomsten kunnen zonder extra datalevering worden uitgerekend en hebben een landelijke referentie.

peiling door schoolbesturen
De Loos Monitoring raadt schoolbesturen aan voor haar basisscholen regulier deze vierledige prestatiepeiling te laten uitvoeren. Toetresultaten kunnen worden centraal worden verzameld zonder belasting van de scholen via “het toetsdepot”:

. helaas bieden de huidige toetsadministraties (zoals LOVS, ParnasSys e.a.) geen peiling van toegevoegde waarde van groepen leerlingen
. meer dan de andere actoren passen de effectpeilingen binnen de opdracht van besturen
. snel uitvoerbaar, ook bij calamiteiten of ongunstige beoordeling van inspectie
. de aanpak stimuleert school en bestuur positief de nadere prononcering van de eigen en unieke visie, positie en profiel
. versterkt een heldere rolverdeling en afbakeningen van verantwoordelijkheid
. beperkte kosten

Hieronder kort een onderwijs-inhoudelijk beargumentering van het verlaten van een enkelvoudige prestatie-indicator voor het basisonderwijs ten gunstige van een vier-ledige prestatiepeiling.

1. percentage voldoende niveau
Bij taalverwerving dienen groepen leerlingen te worden onderscheiden:
◦ leerlingen met een beperkte leercapaciteit
◦ leerlingen met leerachterstanden
◦ leerlingen zonder leerachterstanden

Relevant is na te gaan hoe groot de groep leerlingen is die te kampen heeft met aanzienlijke leerachterstanden dan wel met een beperkte leercapaciteit. Voor deze groepen leerlingen is de basisschool standaard niet geëquipeerd. Maar eenmaal geplaatst zal de school toch moeten zorgdragen voor een passend aanbod.
De indicator toont hier grosso modo het percentage leerlingen waarvoor uitval dreigt. Dat wil zeggen huidige D/E-leerlingen, die indien er geen niveauverbetering plaats heeft, niet voldoende toegerust (zullen) zijn voor een normale start in het voortgezet onderwijs (kb-niveau). Het toont het percentage leerlingen waarvan zonder gerichte aanpak of intensiveringen het reguliere basisonderwijs geen aanbod is.
De primaire verantwoordelijke is het schoolbestuur. Dat is immers met de subsidiënt de opdracht aangegaan leerlingen te brengen op een voldoende vaardigheid voor het voortgezet onderwijs. Indien op een school te veel leerlingen dit niveau niet halen, kan het wel het bestuur worden verweten: deze zal een extra investering moeten plegen en de school inde gelegenheid te stellen voor deze groep leerlingen alsnog een passend aanbod aan te kunnen bieden. Een lage uitkomst kan dus moeilijk de school worden verweten; haar primaire zorg is immers te trachten de achterstanden te verminderen en niet om leerlingen te dumpen (of niet toe te laten). Het is aan het bestuur om de grenzen aan te geven, wanneer de inspanningen onvoldoende renderen en de toezegging richting ouders en overheid niet kan worden waargemaakt. Verder kan een bestuur zorg dragen voor een beter passend aanbod.
Besturen geven de marges aan welk deel van de populatie onvoldoende beheersingsniveau kan hebben binnen het reguliere aanbod. Indien dit percentage hoger ligt, kunnen zij zorg dragen voor versterkt basisonderwijs of alternatief aanbod (inclusief stroomlijning van de overgang).
Centrale opdracht aan het basisonderwijs is alle leerlingen op een voldoende niveau te brengen. De indicator toont in welke mate het basisonderwijs hierin slaagt.

2. achterstandsvermindering
Onderwijs is een maatschappelijke voorziening om een ieder in de samenleving in principe een gelijke kans geven op een succesrijk en betekenisvol perspectief. Het onderwijs is deels gericht op de bestrijding van onderwijsachterstanden. Daarbij vormt bestrijding van taalachterstanden een voornaam aspect, omdat veel achterstandsleerlingen te kampen hebben met taalachterstanden, welke in een latere fase zich ook uitstrekken tot achterstanden in andere vaardigheden.
De indicator peilt in welke mate leerlingen met achterstanden er in slagen in te lopen. De indicator richt zich primair op die taalvaardigheden welke ook van essentieel belang zijn voor instructie.
Scholen hebben vrijwel allemaal te maken met taalachterstanden. De bestrijding is primair een taak van de school en wordt daar van overheidswege (landelijke en gemeentelijk) voor geëquipeerd. Taalachterstanden zijn veelal gerelateerd aan een taalarme thuissituatie die over beperkte mogelijkheden beschikt.
Leerlingen met taalachterstanden vormen een gemêleerde groep met uiteenlopende achtergrond¬kenmerken en wisselende onderwijsgeschiedenis. Het aan de school om hierbij binnen de grenzen van eigen mogelijkheden een optimum te vinden van een effectieve bestrijding, zonder al te zeer in te leveren op het onderwijs aan leerlingen zonder leerachterstanden.
Aanpak van taalachterstanden dient planmatig en structureel te worden aangepakt; het vergt een aanpak over alle leerjaren van het basisonderwijs. De indicator toont in welke met de basisschool en de leerkrachten hierin zijn geslaagd.

3. gemiddeld prestatieniveau
Een goede taalvaardigheid in het Nederlands vormt een belangrijke vaardigheid voor het vervolg¬onderwijs; In het basisonderwijs wordt de ook basis gelegd voor een aantal andere essentiële vaardigheden.
Gezien het belang van prestaties en vaardigheden, moet het onderwijs op basisscholen voor een belangrijk deel gericht te zijn op het optimaal benutten van de leercapaciteit. Dit kan niet los worden gezien van zaken als veilige leeromgeving, interesse en motivatie van leerlingen, gezondheid en welbevinden van leerlingen. Ook voor leerlingen zonder achterstanden of beperkte leercapaciteit.
De indicator peilt het gemiddelde niveau op de diverse vaardigheden. Daarbij richt het zich vooral op leerlingen die in principe geen taalachterstand of beperkte leercapaciteit hebben.
Het primaire belang van een optimale ontwikkeling ligt bij de ouders. Weliswaar is de school als eerste aanzet om de leerlingen te brengen op een voldoende niveau, maar voor het bereiken van een optimum is de inbreng van de ouders noodzakelijk. Het is de opdracht aan ouders zorgt te dragen voor een taalrijke omgeving en onderwijsondersteunend gedrag.
Het primaire belang is gelegen in een zo hoog mogelijk prestatieniveau en daarmee de mogelijkheden voor een kansrijk en geïnspireerd vervolg op het basisonderwijs. De indicator toont de mate waarin de school samen met haar natuurlijke partner, de ouders, hierin slaagt.

4. leerwinst (schooleffectiviteit)
Het basisonderwijs legt een voorname basis voor de cognitieve ontwikkeling, kennis en vaardigheden. Er is veel geïnvesteerd op scholen om het taalonderwijs te verbeteren. Uitgangspunt is dat alle scholen min of meer op maat geëquipeerd zijn om kwalitatief goed taalonderwijs te realiseren. In welke mate zij hierin slagen kan met name worden afgemeten aan de toegevoegde waarde, waarbij is gecorrigeerd voor ondermeer aanleg en het aanvankelijke niveau.
De indicator peilt in welke mate op scholen erin slagen leerlingen beter te laten presteren dan op grond van aanleg en aanvankelijk startniveau kon worden verwacht. Daarbij worden uitdrukkelijk alle leerlingen meegewogen. Berekening van de toegevoegde waarde wordt uitgevoerd op basis van individuele vorderingen conform volgens LeerWinst-methode.
Wettelijk zijn schoolbesturen direct verantwoordelijk voor de onderwijskwaliteit op hun scholen.
Aan schoolbesturen is de opdracht gegeven, conform de gestelde richtlijnen en binnen de beschikbare middelen en personeel, zorg te dragen voor goed kwalitatief onderwijs en scholen hierop te beoordelen. Schooleffectiviteit is echter nadrukkelijk een indicator van het team, waarbij de indicator laat zien of beschikbare middelen, mensen en motivatie ook daadwerkelijk het gewenste effect teweeg hebben gebracht. Het kan laten zien waar en de effecten zichtbaar zijn en de inzet in meer of mindere mate renderen. Daarbij heeft het adagium: “hoe ze het doen, maakt mij niet uit, maar wel dat zij er in slagen”. De indicator vormt een ideale terugkoppeling van resultaten van individuele leerkrachten en schoolteam als geheel.
Toegevoegde waarde dient te worden gelegd naast de inzet van middelen, personeel en lokaliteiten, waarbij er vanuit wordt gegaan dat bij verzwarende omstandigheden ook een navenante uitbreiding van de middelen beschikbaar is.

gerichtheden
Merkt op dat de vier prestatie-indicatoren niet alleen vier onderscheiden (primaire) actoren kent maar alle vier ook een onderscheiden gerichtheid hebben:

1. indicator “percentage voldoende niveau” is gericht op “opbrengsten”
2. indicator “achterstandsvermindering” is gericht op “standaarden”
3. indicator “gemiddeld prestatieniveau” is met name gericht op “kwaliteit”
4. indicator “leerwinst” is met name gericht op “doelmatigheid”

Kritisch kanttekening ten aanzien van effectiviteitsmetingen elders is niet alleen dat er geen helder onderscheid wordt gemaakt tussen de relevantie en bijdragen van de onderscheiden actoren. Daardoor is de school de eerst aangesprokene en kop van jut. Dit maakt scholen kopschuw. Er werd reeds nagedacht over de mogelijkheden va een onderwijskundig failliet. Veel minder kritiek is er op de aanpak en rendement van bestuur, overheid en ouders. Hoewel deze onmiskenbaar een essentiële rol hebben.
Ook wordt niet onderscheid gemaakt tussen de vier complementaire gerichtheden, die maken dat een benadrukking van een enkel voordeel, mogelijk te koste gaat van andere waardevolle en relevante aspecten.
In veel andere effectiviteitspeilingen zijn de actoren en gerichtheden zijn meegenomen. Maar omdat er geen heldere keuzes zijn gemaakt lopen de diverse aspecten door elkaar en zijn ze niet meer goed te onderscheiden en werken ze verwarring in de hand. De Loos Monitoring legt met zijn aanpak een basis voor een heldere informatie over onderwijsprestaties, verdeeld expliciet opdrachten die gekoppeld moeten worden aan de resultaten en toont de samenhangen die in overleg met direct betrokkenen het best in balans weten te brengen.

Het toezicht door de onderwijsinspectie van de onderwijskwaliteit is proportioneel. Dat wil zeggen dat alleen scholen, waar daartoe aanleiding bestaat, aan een nader inspectiebeoordeling worden onderworpen. En het eerste criterium waar daarbij wordt gekeken, zijn de leeropbrengsten. Indien deze leeropbrengsten te laag zijn, volgt er een zwaarder toezichtarrangement. Consequentie is dat opbrengsten een uitdrukkelijk aspect van onderwijskwaliteit wordt.
Nadruk op opbrengsten kennen vele perverse effecten. Uiteindelijk doet het scholen te kort:
. te zeer gericht op toezicht i.p.v. ontwikkeling
. landelijke normen erkennen geen grootstedelijke varianten
. houdt sowieso geen rekening met lokale en regionale verschillen en keuzes van (in-)richting
. het betreft een statische en procesmatige benadering kwaliteit
. balansen en samenhangen zijn niet herkenbaar
. het doet geen recht aan de ‘vele gezichten’ van de school
De kwaliteitsprofielen die voor Rotterdam en Den Haag zijn ontwikkeld, komen tegemoet aan een aantal bezwaren.
De kwaliteitsprofielen van De Loos Monitoring bevatten kwaliteitsindicatoren. Elke indicator heeft drie kenmerken. Ze hebben een gerichtheid (of focus), ze zijn met name relevant voor één van de onderwijspartners en ze dekken een thema:
. gerichtheid: er is enerzijds een samenhang tussen dynamische kwaliteit (authenticiteit) en statische kwaliteit (standaarden) én is een samenhang tussen efficiency (limieten) en effecten (opbrengsten).
. actor: er is een evenwicht van belangen en verantwoordelijkheden, en dat betekent dat kwaliteitsprofielen voor alle belanghebbenden relevante informatie herbergen
. thema: de kwaliteitsprofielen zijn gecentreerd rondom een thema en elke indicator belicht daarvan een deelaspect
. kwaliteitsprofielen zijn cijfermatig en vormen mede de onderbouwing van een inhoudelijke beschrijving van de school (ic. schoolprofiel)
Schoolprofielen stellen scholen in staat zich telkenmale te beschrijven, te positioneren en te profielen; ze laten zien waar een school voor staat en wat een school wil waarmaken. Schoolprofielen passen in een dynamische data-driven aansturing van kwaliteitszorg.

Er zijn in de loop van de tijd vele pogingen ondernomen om toegevoegde waarde van basisscholen te peilen. Ook de Loos Monitoring heeft een aanpak ontwikkeld. Nu is er een schema opgesteld waarin de voor- en nadelen van de verschillenden aanpakken naast elkaar zijn gezet.
Het staat een ieder vrij opmerkingen te maken over dit schema, of de aanpak van zijn/haar voorkeur gunstiger in het schema te plaatsen. U is allen uitgenodigd.
Ik sta uiteraard voor mijn Leerwinst-aanpak.
Kort exposé van de voordelen van LeerWinst-methode:
. direct in te voeren en operationeel tegen lage kosten en beperkte belasting van scholen
. compact kernachtig verslag van actuele leerwinst, met rijke scala aan nadere verbijzonderingen, trends en vergelijkingen
. begrijpelijke uitkomsten voor horizontale verantwoording; informatief voor ouders, bestuur en anderen die minder bekend zijn met toetsing
. uitkomsten per groep, in principe vanaf groep 4 (het niveau in groep 3 vormt daarbij de referentie), inclusief resultaten dle-testen, entreetoetsen, diverse eindtoetsen en indicatief ook toe te passen in de onderbouw
. toont schooleffectiviteit bij onderscheiden groepen leerlingen (bv. leerlingen met verdiept/intensief arrangement, leerlingen met achterstanden/voorsprong of voormalige zittenblijven/wisselaars/neven-instromers)
. benut huidige toetsingspraktijk en momenteel reeds opgeslagen toetsresultaten, dus staat het de school vrij eigen toetsen, leverancier en agenda te bepalen
. levering via bestaande exports vanuit om. ESIS, ParnasSys, WinsSas, LOVS en REB via mail aan reeds ontwikkelde “Toetsdepot”. Bewerkingen zijn in te bouwen in toetsadministraties. Geen ingewikkelde toelichtingen en handleidingen
. alle leerlingen tellen mee, ook wanneer ze doubleren, schoolwisselen, zij-instromen of uitstromen naar het speciaal onderwijs, het praktijkonderwijs en leerwegondersteund onderwijs: Er raken geen leerlingen zoek
. zeer nauwkeurig, dus geschikt voor kleine groepen en scholen
. ook zicht op winst/verlies bij groepen leerlingen of scholen met extreme scores (A+ of E)
. stimuleert keuzebepaling, profilering, positionering en eigen verantwoordelijkheid van school
. leerwinst en prestatieniveau kennen dezelfde maat: leerwinst is een deel van het prestatieniveau
. centrale verwerking van individuele resultaten, maar geen centrale opslag

wachtlijsten buitenschoolse opvang
In januari 2005 zijn voor het laatst de wachttijden in de buitenschoolse opvang gepeild. Daaruit bleek dat Amsterdam en Utrecht een groot capaciteitsprobleem hebben. Beide steden hebben in 2004 de achterstand niet kunnen verminderen.
Zie verder ook een korte samenvatting van de resultaten, ook voor andere regio’s.

wachttijdenmodel kinderopvang

Service Ondernemersgerichte Marktgegevens (SOM)
In 2005 heeft De Loos Monitoring in samenwerking met EbbersConsult een plan opgesteld om te komen tot een Service Ondernemersgerichte Marktgegevens. Basis hiervoor vormde de studies (2003) en peilingen (2004) van wachttijden in de kinderopvang. Kern van dit plan is de elektronische levering van wachtlijstgegevens van kinderopvangcentra aan een centrale databank. Vanuit deze centrale databank worden de marktgegevens naar de ondernemers gerapporteerd. Het belang van marktgegevens voor ondernemers in de kinderopvang is evident. Belangrijk bij succesvol ondernemen is de vraag: hoe ontwikkeld mijn markt (de vraag) zich? Blijft mijn bezettingsgraad op peil? Hoe en wanneer vang ik krimp op?
De markt voor kinderopvang is anno 2005 vrijgemaakt en wordt snel vraaggericht en concurrerend. Met betere marktinformatie kan een ondernemer gerichter omgaan met investeringen in aanbod: personeel, gebouwen, organisatie, marktbewerking. Eisen die een ondernemer stelt aan marktgerichte informatie zijn: duidelijk, helder, actueel, op zijn situatie toegespitst en betrouwbaar. Tot op heden was het onmogelijk of moeizaam om deze marktinformatie te krijgen.
Het plan om met ondernemers in de kinderopvang, te komen tot deze service, is nader toegelicht in een brochure.
vijf kwartaalpeilingen wachttijden kinderopvang
In 2004 heeft De Loos Monitoring een vijftal wachttijdenpeilingen verricht in opdracht van ministerie SZW in samenwerking met KidsConcern. Zie ook een samenvatting van de recentste wachttijdenpeiling.
studie wachttijden kinderopvang
In 2003 heeft De Loos Monitoring een achttal studies verricht om te komen tot een zuivere peiling van de wachtlijsten en -tijden in de kinderopvang. Deze studies omvatte ondermeer:
• een kritische beschouwing van bestaande wachtlijstonderzoeken
• een model en een advies voor wachttijdmetingen
• een peiling van wachttijden bedrijfsopvang
• een studie van wachttijden in de gesubsidieerde-, particuliere- en bedrijfsopvang
meer voorbeelden:
Het eindrapport van de studies
bijlage 1 over eerdere onderzoeken naar wachttijden
bijlage 2 met nadere resultaten peiling wachttijden bedrijfsplaatsen
bijlage 3 een aanvullende studie naar wachtlijsten
bijlage 4 een gegevensmodel voor wachttijden
bijlage 5 regionale verschillen tussen wachttijden en wachtlijstprofielen
bijlage 6 bestaand onderzoek opnieuw bekeken
bijlage 7 wachtlijstonderzoek via ouderbevraging (NIPO/Vyvoj)
wat daaraan vooraf ging
In 1999 leverde De Loos Montoring een unieke monitor Kinderopvang af. Daarin werd een stedelijk overzicht gegeven van het gebruik van de kinderopvang in Den Haag. Belangrijke indicatoren betroffen het gezinsinkomen, verhouding tussen reguliere opvang en bedrijfsopvang en particuliere opvang, de ontwikkelingen in de dagopvang, naschoolse opvang en diverse flexibele opvang, en het gebruik door verschillende etnische groepen en gebruik in verschillende stadsdelen.
Ook de wachttijd tot aan de plaatsing werd in ogenschouw genomen, maar leidde tot een onverwacht resultaat: namelijk gemiddeld bestaat er geen wachttijd. Daarop verzocht de gemeente aanvullende analyses door De Loos Monitoring.
In samenwerking met de voornaamste Haagse instellingen is geconstateerd dat de gebruikte registraties en reeds verrichte wachtlijstpeilingen een aantal fundamentele fouten bevat, die een goede wachtlijstmonitoring onmogelijk maken. Voornaamste bevinden leidde wederom tot het beeld dat in de meeste gevallen er geen sprake is van wachttijd. Immers de ‘wachtlijsten’ zijn grotendeels ‘planningslijsten’, waarbij onterecht de ‘inschrijfdatum’ wordt genomen als startdatum van ‘het wachten’. Belangrijke groepen ‘wachtenden’ zijn daarnaast van de ‘wachtlijst’ gehaald, omdat een een kindplaats is ‘gereserveerd’. Veel ogenschijnlijk ‘wachtenden’ hebben veelal elders ‘opvang gevonden’.
Verder bleek nogmaals het belang van een goede ‘wachtlijstmonitoring’, mede voor een goede verantwoording van de uitbreidingsinspanningen, strategische productontwikkeling en effectief plaatsingsbeleid. Voorbeelden van indicatoren en nieuwe verbeterde presentaties zijn landelijk verspreid.
Door het netwerkbureau Uitbreiding Kinderopvang is De Loos Monitoring gevraagd deze visie toe te lichten en de consequenties in te schatten voor de prognoses van benodigde kindplaatsen en de toepassing van cijfermateriaal bij uitbreidingsplannen.

de Leerwinst-methode
De Leerwinst-methode betreft een leerlingcapaciteitonafhankelijke berekening van de toegevoegde waarde van basisscholen. Kort wordt de bedoeling en kenmerken van de Leerwinst-methode aangegeven. Daarna worden de de pré’s van de Leerwinst-methode opgesomd.
inleiding
De Leerwinst-methode peilt schooleffectiviteit (of toegevoegde waarde) in het basisonderwijs. Deze methode is ontwikkeld door De Loos Monitoring.
De Leerwinst-methode beschrijft de wijze waarop de Leerwinst-methode de knelpunten bij bestaande effectiviteitsmetingen ondervangt. De beschrijving toont vervolgens op welke wijze stap voor stap schooleffectiviteit binnen de Leerwinst-methode wordt berekend.
Ook wordt aangegeven aan hoe over de uitkomsten van de Leerwinst-methode wordt gerapporteerd, hoe deze kunnen worden beoordeeld en voor wie de rapporten relevant zijn.
aanleiding
De ene school boekt structureel hogere toetsresultaten dan de andere. Zegt dat iets over de kwaliteit van het geboden onderwijs? Prestaties van leerlingen zijn afhankelijk van schooleffectiviteit en leercapaciteit van leerlingen . En de leercapaciteit en de leerachterstanden hangen samen met de sociaal-economische positie van de gezinnen en de culturele en talige achtergrond van de leerlingen.
De vraag is in hoeverre de school bijdraagt aan het aanboren en ontplooien van de talenten van leerlingen. Even gewenst is in het kader van bestrijding van onderwijsachterstanden inzicht in welke mate scholen erin slagen om leerlingen met een beperkte leercapaciteit of met leerachterstanden te tillen naar een minimaal of voldoende niveau. De bijdrage van de school moet in beide gevallen worden onderscheiden van de leercapaciteit van de leerlingen.
Een maat voor schooleffectiviteit is maatschappelijk relevant en essentieel voor schoolverbetering. De onderwijsraad benadrukte al in 2003 het belang de schooleffectiviteit te peilen. Helaas bestaat hiervoor (nog) geen onomstreden manier dit te berekenen:
. Een voor de hand liggende benadering is de eindprestaties van leerlingen te vergelijken met hun niveau bij binnenkomst in de school. Deze benadering heeft een erkend en zwaarwegend aantal methodische onvolkomenheden.
. In het advies van Bosker e.a. (2006 ) om te komen tot een heldere maat voor schooleffectiviteit, wordt gepleit voor een criteriumgerichte benadering: welk percentage leerlingen heeft aan het einde van het basisonderwijs een minimaal of voldoende niveau op de kerndoelen (de criteria) die gelden voor het basisonderwijs én wat is het gemiddelde vaardigheidsniveau op de onderscheiden domeinen? Deze benadering heeft echter beperkte mogelijkheden voor onder meer kwaliteitsverbetering.
De Loos Monitoring heeft deze methode ontwikkeld als antwoord op gevoelde behoefte aan een meer betrouwbaar en nauwkeurig meetinstrument die de problemen en beperkingen van huidige methoden ondervangt, en die past in beide benaderingswijzen (schoolverbetering én referentieniveaus).
De Leerwinst-methode geeft een samenhangend zicht op prestaties, toegevoegde waarde en rendement. De methode richt zich op schoolse vaardigheden. De Leerwinst-methode biedt een eenduidige en inzichtelijke maat op hoofdlijnen. De Leerwinst-methode geeft zicht op onderwijsachterstanden en maakt een eerlijker vergelijking tussen scholen mogelijk.
Belangrijk uitgangspunt is scholen niet te belasten met extra toetsen; de methode behoeft geen extra toetsing, maakt gebruikt van de (historische) resultaten in het leerlingvolgsysteem en eindtoetsresultaten en telt alle leerlingen . De voornaamste toets voor prestatiepeilingen in Nederland, te weten de eindtoets basisonderwijs van het CITO, maakt integraal en herkenbaar onderdeel uit van de Leerwinst-methode.
De Leerwinst-methode levert een grote diversiteit aan overzichten, rapporten en grafieken opleveren. De rapporten over deze resultaten zijn ook begrijpelijk voor mensen zonder statistische deskundigheid (zoals docenten en ouders).
Zie ook ter illustratie een factsheet met leerwinst.
pré’s van de Leerwinst-methode
De Leerwinst-methode heeft een aantal pré’s boven andere methoden voor effectiviteitspeilingen:
. direct in te voeren en operationeel tegen lage kosten en beperkte belasting van scholen;
. compact kernachtig verslag van actuele leerwinst, met rijke scala aan nadere verbijzonderingen, trends en vergelijkingen;
. begrijpelijke uitkomsten voor horizontale verantwoording; informatief voor ouders, bestuur en anderen die minder bekend zijn met toetsing;
. uitkomsten per groep, in principe vanaf groep 4 (het niveau in groep 3 vormt daarbij de referentie), inclusief resultaten dle-testen, entreetoetsen, diverse eindtoetsen en indicatief ook toe te passen in de onderbouw;
. toont schooleffectiviteit bij onderscheiden groepen leerlingen (bv. leerlingen met verdiept/intensief arrangement, leerlingen met achterstanden/voorsprong of voormalige zittenblijven/wisselaars/neven-instromers);
. benut huidige toetsingspraktijk en momenteel reeds opgeslagen toetsresultaten, dus staat het de school vrij eigen toetsen, leverancier en agenda te bepalen;
. levering via bestaande exports vanuit om. ESIS, ParnasSys, WinSas, LOVS en REB via mail aan reeds ontwikkelde “Toetsdepot”. Bewerkingen zijn in te bouwen in toetsadministraties. Geen ingewikkelde toelichtingen en handleidingen;
. alle leerlingen tellen mee, ook wanneer ze doubleren, schoolwisselen, zij-instromen of uitstromen naar het speciaal onderwijs, het praktijkonderwijs en leerwegondersteund onderwijs: Er raken geen leerlingen zoek;
. zeer nauwkeurig, dus geschikt voor kleine groepen en scholen;
. ook zicht op winst/verlies bij groepen leerlingen of scholen met extreme scores (A+ of E);
. stimuleert keuzebepaling, profilering, positionering en eigen verantwoordelijkheid van school;
. leerwinst en prestatieniveau kennen dezelfde maat: leerwinst is een deel van het prestatieniveau;
. centrale verwerking van individuele resultaten, maar geen centrale opslag.
Kwaliteitsbeleid behoort volgens De Loos Monitoring primair tot de taken van het bestuur. En is het aan besturen om zorg te dragen voor effectiviteitspeilingen en beoordeling van het kwaliteitsbeleid.

prestatieprofiel
De leerwinst-methode kent een nieuwe loot aan de boom: het vernieuwde prestatieprofiel.
Deze lijkt als twee druppels als het aloude profiel van vaardigheidsniveaus. Maar dit profiel past binnen de leerwinst-systematiek én heeft de nauwkeurigheid van vaardigheidsscores. En dit profiel geeft een goed zicht op de niveauverschillen tussen leerlingen.


De leerwinst-methode beoogt helder zicht te bieden op prestaties en toegevoegde waarde. Centrale indicatoren zijn het ‘prestatieniveau’ en de ‘leerwinst’. Deze en andere indicatoren onderscheiden zich doordat ze helder verschillen en trends tonen van vaardigheden, leerjaren, schooljaren, vestigingen en groepen leerlingen.
Het nieuwe prestatieprofiel maakt nu ook goed niveauverschillen tussen leerlingen zichtbaar. Daarnaast komt het prestatieprofiel zeer bekend voor, voor leerkrachten, scholen en begeleidingsdiensten: het ziet er namelijk hetzelfde uit als het aloude en bekende profiel van vaardigheidsniveaus. Met dat verschil dat het prestatieprofiel veel nauwkeuriger meet en alle voordelen van de leerwinst-methode in zich herbergt om te kunnen inzoomen op details en uitzoomen tot hoofdlijnen: het is immers afgeleid van de individuele prestatieniveaus.
nauwkeurigheid prestatieprofiel
Het voordeel om het prestatieniveau als uitgangspunt te nemen zijn onder meer:
· het prestatieniveau is samengesteld op basis van verschillenden genormeerde scores, zoals de vaardigheidsniveaus, percentielen, dle’s of intelligentiequotiënten (vrijwel alle toetsresultaten kunnen dus worden meegenomen);
· het prestatieniveau is ongevoelig voor het aantal keer dat een leerling is getoetst op een vaardigheid (alle leerlingen tellen even zwaar mee);
· het prestatieniveau onderscheidt ook verschillen binnen vaardigheidsniveaus (het CITO hanteert een vijfdeling A t/m E), door subniveaus te onderscheiden (op basis van ruwe dan wel schaalscores);
· binnen de leerwinst-methode worden prestatieniveaus niet gekoppeld aan een toets, maar aan een vaardigheid en een competentie.
Voor het opstellen van het prestatieprofiel worden de individuele prestatieniveaus opnieuw ingedeeld in de aloude indeling van de vaardigheidsniveaus, maar dan zo dat de nauwkeurigheid van het prestatieniveau behouden blijft. Een leerling die bijvoorbeeld grotendeels op B-niveau presteert, is dan niet enkel een B-leerling, maar bijvoorbeeld voor 80% een B-leerling en voor 20% een A-leerling. Ook de nauwkeurigheid van bijvoorbeeld een A++ -leerling dan wel een E—leerling, blijft behouden.
figuur en tabel tonen het prestatieprofiel 2007/2008 voor een bepaling van realistische doelstelling in het collegeplan: