• Home

Categorie: kwaliteit

open dataset kwalitetisindicatoren
De onderwijsinspectie stelt toezichtdata en kwaliteitsbeoordelingen beschikbaar. De Loos Monitoring heeft deze verwerkt voor analyse:
– toezichtarrangementen
– inspectieoordelen kwaliteitsstandaarden
– zwakke en excellente scholen
– kaders en type onderzoeken
– steekproeven
De kwaliteitsstandaarden betreffen:
– ruim 900.000 beoordelingen in 40.000 inspectieonderzoeken sinds 1998/’99
– in 2016/’17 25.847 beoordelingen in 1.361 onderzoeken
– 8 gebieden, 30 standaarden en bijna 2000 kwaliteitsindicatoren
Omdat niet alle scholen jaarlijks worden onderzocht, en ook niet met dezelfde kwaliteitsindicatoren, worden de oordelen gewogen, zodanig dat elke standaard per school één keer weegt in de vier jaar.

De Loos Monitoring heeft kwaliteitsindicatoren ontworpen speciaal gericht op ouders.
Kwaliteitsindicatoren belichten aspecten die in meer of mindere mate horen bij de rol van onderscheiden onderwijspartners. Ouderindicatoren zijn kwaliteitsindicatoren die zijn expliciet zijn gericht op de rol, verantwoordelijkheden, onderwijsvraag en belangen van ouders.
Ouderindicatoren helpen ouders bij de schoolkeuze. Dan gaat bij de schoolkeuze niet alleen om het niveau of de nabijheid, maar ook of het concept, populatie en profiel hun kinderen past.
Ook wijzen mijn ouderindicatoren op de mate waarin ouders bijdragen aan de onderwijskwaliteit, door om. ouderbetrokkenheid, -participatie en onderwijsondersteuning. Ook kunnen ouders bijdragen aan kwaliteit door te bijdragen aan het voorkomen van schooluitval en/of aandragen van stageplaatsen/studieopdrachten.
De Loos Monitoring heeft voor de Rotterdamse kwaliteitsprofielen de volgende ouderindicatoren ontworpen:
. ouderindicator gemiddeld taalniveau
. ouderindicator onderwijsondersteuning
. ouderindicator spijbelen en presentie
. ouderindicator schooladvies en -keuze
. ouderindicator schoolwisselingen
. ouderindicator verschuiving
. ouderindicator uitstroomprofiel
In het stelsel zijn de indicatoren tezamen min of meer verdeeld over de de onderwijspartners. Maar ook dekken ze min of meer de verschillenden thema’s (profiel, prestaties, leertijd, burgerschap) alsook de verschillende aspecten (doelmatigheid, resultaat, standaarden, kwaliteit) af.

Veel scholen en besturen zijn overgevoelig voor kwaliteitsbeoordelingen, wenden zich af van cijfermatige rapportages van kwaliteit en prestaties. Ze hebben ‘blauwe plekken’ opgelopen. Scholen en besturen worden daardoor afgeleid en hebben daardoor minder de focus op hun eigen opdracht: Daar waarin ze eigenlijk zo graag zouden willen stralen en uitblinken.

enig licht op oorzaken
Overheden en de onderwijsinspectie vervullen een essentiële rol in het onderwijsveld. Hun cijfers laten, meer nog dan de eigen analyses, pijnlijke zwakheden zien. Waarom dan toch? Allereerst zijn de overheden en de inspectie partners, en het is niet prettig dat deze zicht hebben op de eigen zwakheden: juist bij partners ligt dat gevoelig.
Een ander aspect is dat de overheden gehouden zijn aan de openbaarheid van bestuur: dus elke resultaat – overheidswege berekend – ligt op straat. Dit doorkruist vooralsnog het publieke verhaal dat scholen zelf zouden willen communiceren.
Op de aanpak van overheden en inspectie valt ook wel een en ander af te dingen. Voornaamste omissie is wel dat de overheden en de inspectie niet helder erin zijn, dat de cijfers waar zij mee werken, vooral betekenis hebben voor henzelf. Nogal eens wordt gesuggereerd dat ook scholen en besturen van de cijfers kunnen leren (of erger: zouden moeten leren!) en dat deze cijfers informatief zijn voor ouders en leerlingen. Het is alsof een chauffeur proclameert dat een ieder met een busje op vakantie moet gaan: er kan lekker zoveel mee naar de zonnige bestemming.
De reikwijdte van inbreng van overheden en inspectie, wordt niet door alle scholen en besturen goed begrepen: de inbreng is (zeker voor scholen) natuurlijkerwijze beperkt en indirect. Immers, de directe partners van scholen en teams zijn veeleer de ouders en het eigen bestuur.
En let op: Vele scholen hebben tikken gehad. Grote steden (zoals ook etnische groepen) krijgen dreunen. Het partnerschap tussen overheid en bestuur is veel vanzelfsprekender. Maar daarbij is zichtbaar dat de overheden – langs de besturen heen – kijken naar de scholen. En dat besturen zijn eerder voortvarend in het aangaan van pragmatische verbindingen met overheden (die al weer snel gaan knellen), dan deze uit te bouwen tot robuuste en vertrouwende partnerships.

wenkend perspectief
Overheden willen een rijk geschakeerd palet van bijzondere, geïnspireerde en hoogkwalitatieve scholen: Mooi onderwijs. En de leveranciers van al dit moois zijn de besturen die hiervoor pachtscholen stichten en in stand houden.
Maar de wereld bestaat natuurlijk niet alleen uit welriekend bloemen. Het komt niet aanwaaien. Scholen en besturen moeten meer staan in hun autoriteit. En dat betekent ook dat scholen en besturen, net als overheden en ouders, hun eigen opdracht en taak goed moeten kennen en begrijpen. Het schoolprofiel zoals ontwikkeld door De Loos Monitoring moet in dit licht worden gezien: het leg een basis voor de eigen autoriteit en toont welke invulling een ieder geeft aan de opgedragen en legitimeerde taak.
Als dit ‘staan in de eigen autoriteit’ al blauwe plekken geeft, dat zijn dan tikjes waarvan je kunt leren en groeien. Punt is natuurlijk dat, voordat je daar bent (in je autoriteit staan én kunnen leren van jezelf), er tal zaken nodig zijn:
. bovenschools: een visie, een saamhorigheid, een masterplan, een vangnet
. organisatie: traject van begeleiding, coaching, training, studie
. instrumentarium: zeggingsrijke indicatoren, schoolprofiel, niet-cyclisch vraaggerichte analyses
. diensten: een kwartiermaker, een organisator, een mediator, een inspirator
Hierbij liggen rollen die uitstekend door educatieve dienstverleners en onderwijsorganisatieadviseurs kunnen worden opgepakt. De Loos Monitoring speelt hierin een beperkte maar tamelijk cruciale rol.

op pad
Blauwe plekken gaan daar niet bij helpen. Terugkruipen in ieders schulp evenmin: redden wat er te redden valt, en vooral geen ondermaatse prestaties. Niet alleen de inspecteur maar ook de wethouder gluren naar binnen. En de teams ervaren dat ouders en besturen alleen maar meer en meer een beroep op de scholen doen….
Uit de kast! De Loos Monitoring toont een weg: ontwikkel het eigen profiel en ga daar pal voor staan. En dat geldt voor alle actoren. Wijs vooral niet te veel naar elkaar. Maar ontwikkel en sterk jezelf (school en team, dus ook bestuur, overheid en ouders). Een ieder wordt daarmee ook een meer volwaardig partner. Die in eerste instantie vooral goed voor zichzelf moet zorgen en daarnaast ook aandacht heeft voor de zaken waar de partners voor staan.
(het lijkt wel psychologie………)

Kwaliteitszorg en prestatieverbetering zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een prominente rol van prestatiepeilingen blijkt vaak ongelukkig, en geeft perverse prikkels en onheuse beoordelingen, die een daadwerkelijke kwaliteitszorg in de weg staan.
De Loos Monitoring hoopt een aanpak te hebben ontwikkelt die beter past bij de rijk-geschakeerde onderwijspraktijk, en recht doet aan ieders bijdrage.
eerlijker vergelijken
Kwaliteitsprofielen bieden een alternatieve benadering van kwaliteitszorg en prestatieverbetering. Allereerst dient er sprake zijn van een eerlijker vergelijking tussen scholen onderling. Het kan niet zo zijn dat elite-scholen elke kritisch beschouwing ontlopen door hoge opbrengsten (maar daardoor ook weinig terugkoppeling krijgen), en dat achterstandsscholen alsmaar, en soms zeer onterecht, moeten opboksen tegen een slecht imago.
De Loos Monitoring heeft prestatie-, leertijd- en integratieindicatoren ontwikkelt die het mogelijk maken alle scholen heus en valide op de kaart te zetten. Simpele analyses over bijvoorbeeld de eindtoets en zwart/witte scholen hebben al teveel schade aangericht.
En anderzijds dient ook het eigen verhaal van de school ruimte krijgen: op basis van de interne kwalitatieve en kwantitatieve analyses kan een school heel wel dergelijk het verhaal vertellen van de school en haar leerlingen.
verbreed perspectief
Daarnaast was de toetsing van de kwaliteit vooral ingericht vanuit beheersmatige perspectief van de onderwijsinspectie. Daarbij was de onderwijsinspectie gehouden aan de openbaarheid van gegevens: de bevindingen door de onderwijsinspectie worden ook door ouders gbruikt (bijvoorbeeld bij de schoolkeuze), zonder dat kwaliteitsindicatoren waren toegesneden op de belangen van leerlingen en op de belangen en bijdragen van ouders. Dit leidde tot ondoorzichtige referenties en normeringen, die weinig meer te maken hadden met het gebouw in de wijk, het team en de leerlingen.
En prestatieverbetering en kwaliteitszorg is niet alleen een zaak van de school: ook ouders, bestuur en gemeente hebben hierin een bijdrage te leveren. En deze bijdrage kan ook wel eens kritisch beoordeelt worden. Waarom zou een bestuur, een gemeente of ouders niet eens worden aangezet om planmatig bij te dragen aan prestatieverbeteringen?
niet-cyclisch verbeteringsgerichtheid
Veel kwaliteitsonderzoeken verdwenen uit het zicht. Met de bevindingen werd te weinig gedaan. Daarom dienen kwaliteitsprofielen te worden ingebed in een kwaliteitscyclus. Een kwaliteitscyclus is niet in enge zin cyclisch, doch veeleer verbeteringsgericht. Hieronder is de vermaarde PDCA-cyclus (Plan-Do-Check-Act cyclus) gestrekt: verbeteringsgericht gestrekt.

De Loos Monitoring heeft een alternatieve cyclus ontwikkeld, die nauwer aansluit bij de praktijk van prestatieverbeteringen en kwaliteitszorg van scholen die midden in de samenleving staan. Deze alternatieve cyclus laat scholen ook meer ruimte zich te onderscheiden:

naar een authentiek schoolprofiel
Kwaliteitsprofielen moeten verder gaan dan het afleggen van verantwoording; het draagt bij aan onderwijsverbetering en datadriven werken aan kwaliteitszorg. Scholen en alle andere actoren (besturen, gemeente, ouders) kunnen ‘leren’ en ‘veranderen’; maar dan alleen als je je ‘veilig voelt’.
Verantwoorden moet dan ook als zodanig worden ingevuld dat het ver weg blijft van ‘afrekenen’. Als leerkracht, ouders, bestuur en gemeente moet je weten waar je voor staat en aan welke verwachtingen van de anderen wil/kan voldoen. Verantwoorden vanuit helderheid, transparantie en authenticiteit, laat ruimte voor onzekerheden/teleurstellingen.

Het toezicht door de onderwijsinspectie van de onderwijskwaliteit is proportioneel. Dat wil zeggen dat alleen scholen, waar daartoe aanleiding bestaat, aan een nader inspectiebeoordeling worden onderworpen. En het eerste criterium waar daarbij wordt gekeken, zijn de leeropbrengsten. Indien deze leeropbrengsten te laag zijn, volgt er een zwaarder toezichtarrangement. Consequentie is dat opbrengsten een uitdrukkelijk aspect van onderwijskwaliteit wordt.
Nadruk op opbrengsten kennen vele perverse effecten. Uiteindelijk doet het scholen te kort:
. te zeer gericht op toezicht i.p.v. ontwikkeling
. landelijke normen erkennen geen grootstedelijke varianten
. houdt sowieso geen rekening met lokale en regionale verschillen en keuzes van (in-)richting
. het betreft een statische en procesmatige benadering kwaliteit
. balansen en samenhangen zijn niet herkenbaar
. het doet geen recht aan de ‘vele gezichten’ van de school
De kwaliteitsprofielen die voor Rotterdam en Den Haag zijn ontwikkeld, komen tegemoet aan een aantal bezwaren.
De kwaliteitsprofielen van De Loos Monitoring bevatten kwaliteitsindicatoren. Elke indicator heeft drie kenmerken. Ze hebben een gerichtheid (of focus), ze zijn met name relevant voor één van de onderwijspartners en ze dekken een thema:
. gerichtheid: er is enerzijds een samenhang tussen dynamische kwaliteit (authenticiteit) en statische kwaliteit (standaarden) én is een samenhang tussen efficiency (limieten) en effecten (opbrengsten).
. actor: er is een evenwicht van belangen en verantwoordelijkheden, en dat betekent dat kwaliteitsprofielen voor alle belanghebbenden relevante informatie herbergen
. thema: de kwaliteitsprofielen zijn gecentreerd rondom een thema en elke indicator belicht daarvan een deelaspect
. kwaliteitsprofielen zijn cijfermatig en vormen mede de onderbouwing van een inhoudelijke beschrijving van de school (ic. schoolprofiel)
Schoolprofielen stellen scholen in staat zich telkenmale te beschrijven, te positioneren en te profielen; ze laten zien waar een school voor staat en wat een school wil waarmaken. Schoolprofielen passen in een dynamische data-driven aansturing van kwaliteitszorg.

De benchmark VO geeft samenhang tussen integrale managementverantwoordelijkheid en noodzakelijke verantwoording. De Loos Monitoring biedt u deze benchmark op één A4! Grafisch, informatief en zonder voorbereidingen vooraf.


De Benchmark VO wordt geleverd met vele indicatoren, drie vergelijkingen (eigen trend, interne verschillen en benchmarking) en één totaal resultaat. Tabellen worden separaat in naslagwerk geleverd. Een analyse waarin desgewenst meerdere vergelijkingen worden meegenomen:
. vergelijking met scholen uit hetzelfde wervingsgebied/hetzelfde bestuur?
. ten opzichte van de concurrentie?
. vergelijking met ‘top’-scholen?
. vergelijking met eigen ‘verleden’?
. ten opzichte van vergelijkbare scholen?

De benchmark VO is een product van De Loos Monitoring, CoCo Communicatie en Matt Martens Interimmanagement.

De Loos Monitoring biedt een frisse kijk op data. De Publieke School Profielen zijn grafische weergaven, die de het eigene van scholen tracht weer te geven.
Uitgangspunten
• een cijfer of een kwantitatief uitkomst geeft nooit een complete weergave van de wereld die het representeert
• een rijker en breder palet van kwaliteitsindicatoren biedt een completer profiel; een enkelvoudige uitkomst (bv. ‘zwakke school’ of ‘zwarte school’) is een ruwe versimpeling zonder zicht op kansen
• ouders zoeken een school die hen en hun kind het beste past. Ouders en kinderen hebben eigen belangen en verantwoordelijkheden. Zij kijken met andere ogen naar scholen dan bv. bestuur of inspectie. In publieke kwaliteitsprofielen zijn indicatoren opgenomen, die voor ouders en leerlingen relevant zijn.
Er zijn vele manieren om schoolprofielen weer te geven. Het hangt er vanaf waarom voor wie een schoolprofiel is opgemaakt. Hieronder een lijst:
1: anonieme rangschikking op een enkele indicator
2: anonieme rangschikking met een extra kenmerk
3: anonieme vergelijking van twee kwantitatieve kenmerken
4: scholen ten opzichte van referentie
5: kringen getypeerd middels factoranalyse
6: schoolprofiel met zeven indicatoren
7: schoolprofiel met gerangschikte standaardscores
8: schoolprofiel met rapportcijfers
9: schoolprofiel met rangschikking kwaliteiten
10: schoolprofiel met kwaliteitspunten
11: schoolprofiel met puntentaart
Elke model benadrukt een ander aspect (en belicht zo andere aspecten minder nadrukkelijk). Het zesde en volgenden modellen zijn geschikt om te gebruiken voor Publieke School Profielen.
Hieronder volgen illustraties van deze modellen van schoolvergelijking en schoolprofielen.
1: anonieme rangschikking op een enkele indicator
Onderstaand figuur vergelijkt de taalprestaties 2008/’09 op de Steenwijkerlandse scholen vanaf groep 3. Scholen zijn geanonimiseerd. De nullijn betreft een landelijke referentie. De taalprestaties betreffen de resultaten op om. spelling, technisch lezen en taalonderdelen eindtoets.

2: anonieme rangschikking met een extra kenmerk
Onderstaande figuur toont de uitval op alle Steenwijkerlandse scholen 2008/’09, inclusief de kleutergroepen. Achterstandscholen (OAB-scholen) zijn daarbij in kleur onderscheiden. Scholen zijn geanonimiseerd en gerangschikt. Merk op dat scholen weliswaar anoniem zijn maar eenzelfde lettercombinatie hebben als in het bovenstaande figuur. De landelijke referentie betreft een uitval van 25%.

3: anonieme vergelijking van twee kwantitatieve kenmerken
Onderstaand figuur toont Haagse basisscholen met hun gemiddelde resultaat op de eindtoets basisonderwijs én hun gemiddelde leerlinggewicht 10+ -jarigen (schatting van achterstandsproblematiek in bovenbouw). Merk op dat scholen hier geen nadere aanduiding hebben (ic. scholen zonder lettercombinatie).

4: scholen ten opzichte van referentie
Het figuur laat zien in welke mate scholen op het punt van doublure én voortijdige uitstroom (ongunstig afwijken) van het stedelijk gemiddelde en landelijke gemiddelde. In latere versies was met een horizontale referentie tevens de doelstelling Naar Betere Resultaten weergegeven. Merk op dat schoolnamen staan vermeld: alle (Amsterdamse) scholen dienden toentertijd binnen een 3 jaar te voldoen aan deze NBR-norm.

5: kringen getypeerd middels factoranalyse
Dit figuur vergelijkt zes samenwerkingsverbanden binnen de SCO Lucas en laat zien op welke aspecten (factoren) het samenwerkingsverband zich dient te versterken. Het geeft ook een aanzet samenhangende kenschets te geven van een groep scholen (de kring). Een kring bestaat uit een zestal basisscholen en één school voor speciaal basisonderwijs. Oogmerk was de aanwezige expertise binnen een kring te mobiliseren.
Bij deze vergelijking zijn 33 indicatoren middels factoranalyse teruggebracht tot 11 factoren. Deze factoren zijn getypeerd. Zo bleek (meer) gewicht, (meer) neveninstroom en (kleinere) omvang in sterke mate samen te gaan, en terug te brengen tot één factor ‘gewicht, neveninstroom, omvang’.

6: individueel schoolprofiel met zeven indicatoren
Dit figuur laat voor elke school de uitkomsten zien van zeven indicatoren. Met een kleur is aangegeven waar de school staat ten opzichte van andere scholen: Oranje staat voor een gunstige rangorde (bovenste 20%) en blauwgroen staat voor een ongunstige positionering (onderste 20%). In deze versie zijn ‘alarmerende’ en ‘sterk-signalerende’ kleuren (zoals rood voor ‘ongunstig’) expliciet vermeden. Ook zijn nu alle indicatoren positief gepoold, dat wil zeggen dat een hogere uitkomst ook daadwerkelijk gunstig is: zo wordt ‘vertragingen’ omgepoold tot ‘bevordering’ (de facto indicator ‘rendement onderbouw’).

7: individueel schoolprofiel met gerangschikte standaardscores
Dit figuur toont het profiel van een enkele school. De indicatoren zijn omgezet in standaardscores waarbij de standaard wordt bepaald door (gemiddelden van en onderlinge verschillen tussen) scholen binnen de referentiegroep (bijvoorbeeld alle scholen in Haaglanden). Ook nu zijn alle indicatoren positief gepoold. Verder zijn de indicatoren gerangschikt op basis van standaardscore: de meest gunstige indicator staat boven aan. Expliciet wil dit profiel de sterke kanten van een school benadrukken.

8: schoolprofiel met rapportcijfers
Dit figuur toont het profiel met behulp van rapportcijfers. Feitelijk zijn de standaardscores omgezet naar een 10-puntsschaal, ten behoeve van ‘leesbaarheid’. Daarnaast zijn de extreme waarden ‘afgetopt’ (d.w.z. rapportcijfers van 4 tot 9½).

9: schoolprofiel met rangschikking kwaliteiten
Dit profiel toont zeven indicatoren, gerangschikt van meer (oranje) c.q. minder (donkerblauw) sterke kwaliteiten. De ordering is op basis van een vergelijking met een positionering ten opzichte van een referentiegroep (bijvoorbeeld RMC IJssel Vecht). De feitelijke uitkomst, standaardscore of rapportcijfer is hier expliciet vermeden. Het gaat hier expliciet om de belangen van ouders (“wat vind ik belangrijk voor mijn kind?”) en de kwaliteiten van de scholen (“wat kan de school mijn kind bieden?”) tegenover elkaar te zetten.

10: schoolprofiel met 100 kwaliteitspunten
Dit profiel toont zeven indicatoren voor een enkele school. Voor elke indicator wordt een rapportcijfer uitgerekend, op basis van de positie van de school binnen de referentie. Hoe hoger het cijfer, des te meer kwaliteitspunten tot een totaal van 100. Het profiel benadrukt expliciet de kwaliteiten én de onderling gelijkwaardigheid van de scholen. Met een kleur is aangegeven of de kwaliteit behoord tot de top 20% (oranje) of juist onderste 20% (donkerblauw).

11: schoolprofiel met puntentaart
Dit profiel toont zeven indicatoren voor een enkele school. Voor elke indicator wordt een kwaliteitspercentages toegerekend, op basis van de positie van de school binnen de referentie tot een totaal van 100%. Het profiel benadrukt expliciet de schoolse kwaliteiten. Met een kleur is overigens wel aangegeven of de kwaliteitsaspect behoord tot de top 20% (oranje) of juist onderste 20% (donkerblauw) binnen de referentie.

kwaliteitsindicatoren worden gebruikt in monitor en in profielen:
. een monitor is onderdeel van een verslag: het monitorgedeelte levert een kwalitatieve onderbouwing voor een kwalitatieve beschrijvingen van de huidige situatie, de trends en de verwachtingen;
. een profiel bestaat uit een min of meer gebalanceerde set cijfermatige indicatoren op basis waarvan bijvoorbeeld een school, stad of groep zichzelf kwalitatief beschrijft, positioneert en profileert.
. in beide gevallen betreft het kwaliteitsindicatoren wanneer de monitor of profiel onderdeel uitmaakt van het toezicht op de kwaliteit.
In een monitor worden de actuele uitkomsten en resultaten veelal afgezet tegen eerdere peilingen (trend) of tegen een referentie (benchmarking). In een profiel worden de uitkomsten onderling vergeleken. Voor gebruik in een profiel, dienen de kwaliteitskenmerken voldoende gebalanceerd te zijn (zie ‘profielen in balans’). Kwaliteitsindicatoren moeten genormeerd worden (om ze onderling vergelijkbaar te maken: standaardiseren) en de uitkomsten worden toegewezen aan een profiel. Hier wordt beschreven hoe normering en toewijzingen onderling samenhangen.
Om te komen tot een schoolprofiel worden de volgende bewerkingen onderscheiden:
• ontsluiting (om te komen tot ‘gewogen data’)
• identificatie (om te komen tot ‘identificatie in de bron’)
• omzetting (om te komen tot ‘identificatie in de data’)
• validatie (om te komen tot ‘geconsolideerde data’)
• filteren (om te komen tot ‘profielen waarover gerapporteerd zal worden’)
• normeren (om te komen tot ‘gewaardeerde data’)
Hoe te komen tot een schoolprofiel:
1. ontsluiting
Bij het ontsluitend van de bron worden uitkomsten berekend én worden ze gewogen op basis van omvang.
Bijvoorbeeld: Bij de ontsluiting van examenresultaten en berekening van de slagingspercentages, worden alle kandidaten en geslaagden van de school opgeteld en wordt er één slagingspercentage uitgerekend. Om te komen tot een bovenschoolse referentie, wegen schoolse slagingspercentages naar het aantal kandidaten.
2. identificatie
Bij het ontsluiten worden alle onderscheiden scholen in de bron geïdentificeerd. Sommige bronnen gebruiken daar nummers of codes voor, andere bronnen gebruiken namen of postcodes. Ook veranderen nummers, codes, namen en postcodes in de tijd. De identificatie zorgt er voor dat bekend is, op welke scholen, locaties de gegevens betrekking hebben.
3. omzetting
Alle gegevens betreffende eenzelfde school worden voorzien van een eenzelfde identificatie. In geval van verhuizingen, naamswijzi¬gin¬gen, fusies of splitsingen, krijgen vestigingen de actuele postcode, naam, code en nummer. Locaties die geen eigen schoolprofiel krijgen, worden zo mogelijk samengevoegd met locaties die wel een schoolprofiel krijgen. Ook worden bijvoorbeeld vo-cijfers en mbo-cijfers toegewezen aan aparte profielen.
Voor identificatie worden veelal de zogenaamde BRIN’s en vestigingsnummers van OCW gebruikt, aangevuld met lokale vestigingsnummer van landelijk niet erkende vestiging. Elke vestiging krijgt een onderscheidende schoolnaam en heeft een locatiepostcode (geen postbus).
4. validatie
Nu alle scholen uniek zijn en herkend kunnen worden in de data, wordt de data toegewezen aan de scholen. De oorspronkelijke identificatie van scholen wordt daarmee vervangen.
5. filteren
Nu wordt vastgesteld van welke scholen daadwerkelijk een profiel wordt opgemaakt. Scholen die niet meer bestaan (en niet zijn gefuseerd), worden terzijde gezet. Zo ook wordt bezien of door gemeentelijke herindelingen of regionale spreiding, scholen al dan niet toegevoegd of uitgesloten moeten worden. Ook scholen waarvoor niet voldoende kwaliteitsindicatoren kunne worden uitgerekend worden gefilterd.
6. normeren
Bij de overgebleven scholen wordt gezien hoe zij scoren ten opzichte van de referentie en in welke mate scholen daar onderling in verschillen. Op basis van de referentie en de spreiding kan een uitkomst worden genormeerd, uit te drukken in bijvoorbeeld een rapportcijfer en worden ingedeeld in categorieën (top, goed, voldoende, onvoldoende, kritiek). Hoe er wordt genormeerd, valt buiten het bestek van het beheer van kwaliteitsindicatoren.

Korte oneliners genoteerd (en becommentarieerd) op de conferentie “Besturen aan zet” van de PO-raad dd 12 oktober 2010:
* cijfers disciplineren….
(lijkt een wat ongericht kenmerk van informatie, alsof dit vanzelf ontstaat en alsof vanzelf een positief effect kent voor opbrengt en kwaliteit)
* door openbaarheid van resultaten, ontstaat er een publieke rivaliteit tussen scholen onderling en keuzevrijheid van ouders…
(wanneer is er sprake van rivaliteit en wanneer is er sprake van profilering?)
* actueel lijkt er een accentverschuiving plaats te hebben van verticale sturing naar horizontale sturing….
(vergelijk ook “het schoolprofiel” en de “publieke kwaliteitsindicatoren” van De Loos Monitoring)
* partiële effectiviteit….
(begrip wat verwijst naar verschillen in schooleffectiviteit in leerjaren, vaardigheden, arrangementen, achterstanden/talenten, persoonskenmerken enz.)
* hoge kwaliteit door 1. sterk curriculum; 2. discipline en schools klimaat; 3. meer leertijd en 4. opbrengstgerichtheid….
(wordt hier “hoge kwaliteit” niet verward met “hoge opbrengsten”, een verwarring die de hele conferentie teisterde?)
* “het betere” vervangt “het goede”…..
(een heerlijke cryptische oneliner)
* accountability works….
(ook hier lijkt het wat ongericht kenmerk van verwoording afleggen, alsof dit vanzelf ontstaat en alsof vanzelf een positief effect kent voor opbrengt en kwaliteit)
* schoolontwikkeling…..
(hoe krijg je het team in beweging? hoe maak je het team probleemeigenaar?)
* van relatie tot prestatie…..
(in mijn visie vormt “prestatie” onderdeel van het “schoolprofiel”, tezamen met “standaarden”, “kwaliteit” en “middelen”)

De Loos Monitoring ontwerpt en definieert indicatoren op maat. Voor de ontwikkeling van indicatoren De Loos Monitoring een innovatief onderscheid in de gerichtheid van indicatoren.
Wanneer diverse indicatoren verschillen in hun gerichtheid, leveren deze tezamen een meer volledig beeld. Het brengt balans in kwaliteitsprofielen. Informatiebehoefte wordt gevoed vanuit gerichtheid van het handelen: wat is de focus van de actor? Gerichtheid betreft het oogmerk, de bedoeling of de focus van de actor.
De Loos Monitoring onderscheidt zeven archetype van gerichtheden. Vanuit het herkennen van de gerichtheid van de actor kan de informatiebehoefte worden begrepen. De keuze voor een passende en effectieve indicator volgt hieruit. Een juiste geëigende indicator is essentieel voor draagvlak, wordt makkelijker geïnterpreteerd en beperkt de kosten. Informatiegerichtheid is een voornaam en weinig onderkende sleutel voor het vinden van een juiste indicator.
De Loos Monitoring ontwikkelde een Quick-Scan om uit tal van alternatieven een goede en onderbouwde keuze te maken voor een indicator.

Voor het Rotterdamse onderwijsverslag heeft De Loos Monitoring vier actoren (probleemeigenaren) onderscheiden en voor elke actor eigen kwaliteitsindicatoren geleverd op de thema’s taal, integratie & burgerschap én leertijd. Ouders hebben hierin evenzeer een rol én verantwoordelijkheid. Dit in tegenstelling tot de kwaliteitsindicatoren van de onderwijsinspectie.

Zie hiervoor ook het schoolprofiel ‘in balans’ ter voorbereiding op het “Publiek KwaliteitsProfiel (PKP)” voor de VO-Wegwijzer Haaglanden.