beschrijving van kwaliteitsindicatoren
Deze notitie geeft aan op welke wijze kwaliteitsindicatoren systematisch beschreven moeten worden op een zestiental kenmerken:
| thema | functie | gegevens | definitie | overig |
| thema | actor | bron | berekening | bijzonderheden |
| subthema | opdracht | kwaliteit | selectie | |
| indicator | gerichtheid | levering | presentatie | |
| verwerking | norm en ambitie | |||
| criteria |
Hieronder worden de kenmerken nader toegelicht en beschreven. Daarbij wordt uitgegaan van het concept van de gelede rapportage, welke hier verder niet behandeld.
| kenmerken
|
toelichting/beschrijving |
|||
| 1.1 thema:
taal leertijd integratie |
Er worden vooralsnog drie kwaliteitsprofielen onderscheiden vanwege acturele relevantie, te weten taal, integratie en leertijd. Het thema kwaliteit is vervat in de kwaliteitsprofielen zelf. Andere thema, zoals ouderbetrokkenheid en veiligheid, zijn geschaard onder de respectievelijke thema’s leertijd en integratie.
De indicatoren worden voor elke onderwijsfase (basisonderwijs, VO, MBO, praktijkonderwijs, BSO/EC) apart beschreven. De betreffende problematiek wordt kort nader beschreven, bijvoorbeeld in de zin dat er sprake is van taalachterstanden. Hiermee wordt basaal een referentiekader neergezet. |
|||
| 1.2 subthema: | Binnen dit referentiekader wordt een nadere inhoudelijke afbakening gegeven. Dit kan door een korte beschrijving van de analyse of een oplossingsrichting. Daarbij krijgen specifieke (lokale) omstandigheden en keuzes een plaats. | |||
| 1.3 indicator: | Kort wordt de indicator omschreven en voorzien van een naam. Het beschrijft wat de indicator meet, waar de focus op gericht is en hoe de indicator verschillen en veranderingen toont. | |||
| 2.1 actor:
leerling ouders school bestuur gemeente |
Wie heeft welke kwaliteitsinformatie nodig om zijn/haar rol goed te kunnen uitvoeren?
Er worden naast de leerling vier actoren onderscheiden. In het schema staan de actoren vermeld rondom de leerling. Daarmee wordt aangegeven hoe direct of nabij de actoren met elkaar in relatie staan. Zo laat het zien dat ouders primair (of natuurlijkerwijze) zich richten op de school en op de gemeente, en in mindere mate op het bestuur (en vice versa). Zo ook staan gemeente en scholen volgens dit schema niet in direct contact met elkaar. Overigens kunnen bijzondere omstandigheden aanleiding geven om hiervan af te wijken. • De gemeente is hoeder van het onderwijs. De bevolking moet er op kunnen vertrouwen dat de (voldoende) onderwijskwaliteit gewaarborgd is. • De onnderwijsinspectie heeft hierin van oudsher een rol. De gemeente neemt ten aanzien van lokale thema’s hierin haar (aanvullende) rol. • Onderwijsbesturen zijn primair aanspreekbaar op de kwaliteit en richting van hun scholen. Zij volgen nauwlettend de ontwikkeling op hun scholen, vestigingen en afdelingen. • Scholen hebben de opdracht leerlingen voor te bereiden op hun verdere schoolloopbaan en een minimaal beheersingsniveau te realiseren bij alle leerlingen. Scholen geven daarbij hun eigen invulling aan (profilering). • Na overleg met besturen en in samenwerking met scholen realiseert de gemeente maatregelen op gebied van onderwijs, jeugdzorg en wijkopbouw. Vanuit deze rol is de gemeente gehouden deugdelijk te sturen, te evalueren en te verantwoorden. • Ouders zijn vertegenwoordigers en voogden van hun kinderen. Zij hebben de verantwoordelijkheid afweging te maken in schoolkeuze en hun kinderen te ondersteunen en in staat te stellen onderwijs te volgen. • De gemeente is geëquipeerd de ontwikkeling en realisatie van kwaliteitsprofielen te faciliteren. Buiten het schema zijn de inspecteurs buitengesloten: • Bureau Leerplicht controleert de naleving van de Leerplichtwet en is gemandateerd toezicht te houden op adequate registratie van verzuim en uitval (relevant in kader van leertijd). • De onderwijsinspectie controleert de kwaliteit van het geboden onderwijs en is gemandateerd in deze zin scholen een toezichtregime op te leggen. |
|||
| 2.2 taak/opdracht: | Bij de indicator wordt aangegeven welke taak, opdracht of bijdrage bij de actor ligt. Elke actor heeft een eigen complementaire opdracht.
Van elke actor wordt een bijdrage verwacht. Uiteraard is er in alle gevallen sprake van afstemming en samenwerking. Maar het is verhelderend te zien wie primair verantwoordelijk is (en wie er primair belang bij heeft). Hieronder kort een schets van de rolinvulling: De gemeente is hoeder van het onderwijs: het onderwijsaanbod dient de behoeften te dekken en te passen binnen de lokale setting (richting de ouders). De gemeente draagt tevens zorg voor lokale arrangementen tussen directe en indirecte actoren in het onderwijsveld. Besturen bieden onderwijs, houden scholen in stand en worden daarvoor gefinancierd. In dat kader leggen zij verantwoording af. Besturen hebben de rol zorg te dragen voor goed onderwijs binnen de onderwijsinhoudelijke en financiële kaders. De primaire taak is de bewaking van kwaliteit en rendement op de scholen. Scholen schrijven leerlingen in en beloven ouders en leerlingen onderwijs, waar de individuele leerling zich thuis in voelt en waarin hij of zij zich kan ontplooien. Onderwijs vergt professionele, alerte en betrokken teams, want het blijft immers mensenwerk. Ouders zijn leidend in het bieden van een toekomst aan hun kinderen, te beginnen bij de weloverwogen keuze van onderwijs/school. Actieve ouders dienen mede richting te geven aan de individuele ontwikkeling en het schoolse aanbod versterken en completeren. |
|||
| 2.3 gerichtheid:
profiel doelmatigheid standaarden opbrengst kwaliteit |
Bij alle indicatoren wordt aangegeven waar deze op gericht is:
wat het kost, hoe het gedaan wordt, wat het resultaat is of wat het oplevert. De kwaliteitsprofielen hebben hierin een balans, voor een volledig en werkelijkheidgetrouw beeld. In de diverse benaderingen van kwaliteit krijgt het traditionele begrip kwaliteit geen eigen plaats. Een van de redenen is dat kwaliteit in deze zin dynamisch is en zich niet eenvoudig laat vangen in vooraf bepaalde standaarden; het is aan een ieder te bepalen wat de (gewenste) kwaliteit is. Door kwaliteit geen eigen plaats te geven, wordt het onderwijs te kort gedaan en kan de dynamiek in het onderwijsveld niet goed worden begrepen. Het gebruik van de term kwaliteit is verwarrend. Gekozen wordt voor de meer open term profiel. Dit biedt een ingang om de eigenheid van ouders, scholen, besturen én de gemeente gestalte te geven. Het profiel is dan een optelsom van een viertal aspecten: doelmatigheid, standaarden, opbrengsten en kwaliteit: Voor alle indicatoren is aan te geven op welk aspect zij zich met name richten. Hieronder kort de vier onderscheiden informatierichtingen: • Bij doelmatigheid gaat het om de middelen die worden ingezet. Daarbij hoort ook de beschrijving van het vertrekpunt en hoe zwaar hierop wordt ingezet; bij een grotere (of als zodanig ervaren) problematiek is een grotere inzet acceptabel. • Standaarden betreffen een beschrijving en borging van de (geplande) processen en verdere optimalisering en professionalisering. • Opbrengsten betreffen de uitkomsten van de processen, bijvoorbeeld het aantal leerlingen of gerealiseerd niveau. Een opbrengst kan bijvoorbeeld als volgt worden geformuleerd: “minstens 85% van alle 13-jarigen zijn voldoende taalvaardig voor een start in het voortgezet onderwijs VMBO/KB+.” • De kwaliteit geeft weer welk effect (verandering, groei) én meerwaarde is geleverd. Het gaat hierbij niet alleen om de meetbare uitkomsten maar ook over niet-meetbare en/of langdurige effecten, die invloed hebben op de uiteindelijke resultaten (en de kwaliteit) van onderwijs of voorziening. Bijvoorbeeld: “de taalbeheersing van basisschoolleerlingen is verbeterd” • Doelmatigheid en standaarden hebben beide een bedrijfsmatige insteek (men kan dan spreken over producten en diensten), terwijl opbrengsten en kwaliteit zijn gerelateerd aan het repertoire van competenties waaruit individuen in het verdere verloop van hun leven kunnen putten. Anders gezegd: doelmatigheid en standaarden verwijzen naar de middelen en kwaliteit en opbrengsten naar het doel. • Doelmatigheid en opbrengsten staan op gespannen voet: immers opbrengst heeft z’n prijs. Het is relatief weinig doelmatig te streven naar een optimale opbrengst. Bij een uiterste bedrijfsmatige gerichtheid volstaat het realiseren van de (criteriumgerichte) minimumopdracht: 90% van de leerlingen realiseert een minimaal beheersingsniveau in de kerncompetenties/leerdomeinen. De verhouding tussen doelmatigheid en opbrengsten kan worden aangegeven met rendement. • Gerichtheid op de bedrijfsmatig ingestoken kwaliteitsstandaarden versus kwaliteit in traditionele zin staan tegenover elkaar. Enerzijds de procesmatige en reproduceerbare kwaliteitsaspecten en anderzijds kwalitatieve bijdragen aan maatschappelijke en persoonlijke ontwikkelingen van individuele leerlingen. • De spanning tussen beide diametraal tegenover elkaar staande gerichtheden biedt tevens de mogelijkheid ze in balans te houden • Leerlingen krijgen kansen zich te ontplooien, verwerven kennis en competenties, oriënteren zich op de samenleving en worden ieder voor zich een individu, een persoon. Dit resultaat, het palet van individuen, wordt verder aan gegeven met profiel. |
|||
| 3.1 bron: | Indicatoren worden berekend op basis van basisgegevens. Veel gegevens vinden hun oorsprong op de scholen, maar zijn reeds door de actoren of anderen gekwantificeerd, beoordeeld of verzameld. Voorbeelden zijn BRON en het LAS. | |||
| 3.2 kwaliteit: | Van de basisgegevens wordt beoordeeld of deze voldoen aan meettechnische eisen. Aspecten daarin zijn dekking, het schaalniveau, het detailniveau en de actualiteit (expiratie). | |||
| 3.3 levering: | Beschreven wordt wie als beste de basisgegevens kan leveren. Voorbeelden zijn het ROM en de informatieportals van het Cfi. | |||
| 3.4 verwerking: | Beschreven wordt op welke wijze de geleverde gegevens verwerkt moeten worden om geschikt te worden gemaakt voor de berekening van de indicatoren.
Bij sommige gegevens vindt een omzetting plaats. De omzetting kan plaatshebben op basis van afwijking (z-score), centielen, onderwijsinhoudelijke indeling, scoring, turven of protocollering (wat telt hoe zwaar mee). Bij een operationalisatie wordt een fenomeen meetbaar gemaakt; bij verwerking wordt voor een thema een indicatie gezocht |
|||
| 4.1 berekening: | Beschreven wordt hoe de indicatoren worden berekend.
Elke indicator dient nader methodologisch en psychometrisch beschreven te worden. Omdat de indicatoren niet wetenschappelijk maar beleidsmatig worden gebruikt, is niet nodig dit uitputtend te doen. Indien relevant worden informatiecomponenten, de afleidingen of aggregaties beschreven. |
|||
| 4.2 selectie: | Aangegeven wordt welke basisgegevens worden gebruikt. Het kan zijn dat voor selectie andere gegevens nodig zijn van voor de feitelijke berekening van de indicatoren. Aangegeven wordt welke scholen en peilperiode de indicator betreft. | |||
| 4.3 presentatie: | Rapporten dienen gevoelig te zijn voor verschillen tussen en binnen scholen dan wel gevoelig te zijn voor verschillen tussen deelgemeenten. Het zichtbaar maken van deze verschillen is niet zonder problemen. Werken met gemiddelden poetst bereik, spreiding en verdeling uit. In het onderwijsverslag zullen deelgemeenten afzonderlijk worden weergegeven. In de kwaliteitsrapporten en scans worden verschillen getoond door scholen afzonderlijk weer te geven. Voor verschillen binnen scholen zullen specifieke indicatoren (met betrekking tot spreiding, bereik en verdeling) worden gebruikt
Op schoolniveau wordt op basis van normen (minimum, voldoende, norm, ambitie) én op basis van de onderlinge verschillen een rapportcijfer op het betreffende vastgesteld. Op stedelijk niveau wordt vastgesteld hoeveel scholen voldoen aan de verschillende normen. |
|||
| 4.4 norm en ambitie:
landelijke norm stedelijke ambitie |
In de beschrijving van de indicator worden de normen beschreven en onderbouwd:
• stedelijke of landelijk norm (of anders); • weging op leerlingniveau of school niveau (of anders); • onderwijsinhoudelijk of beleidsmatig (of anders). Uitkomsten en ambities krijgen betekenis inden ze worden afgezet tegenover een onderwijsinhoudelijke norm. De norm kan op diverse wijzen worden vastgesteld. De norm kan een stedelijkgemiddelde of een landelijk gemiddelde zijn. Dit laatste heeft de voorkeur vanwege helderheid en eenduidigheid. Naast deze norm kan een ambitie worden geformuleerd. Deze dient realistisch te zijn (qua ambitieniveau alsook qua breedte). De ambitie is niet noodzakelijkerwijs cijfermatig. Het kan volstaan aan te geven waar de focus ligt, welke richting deze heeft of hoe de agenda eruit ziet. |
|||
| 4.5 criteria:
minimum voldoende |
De criteria geven aan waar de grens ligt tussen voldoende en onder de maat, ofwel de al dan niet aanvaardbaarheid van de resultaten.
De kwaliteitsprofielen worden gepresenteerd in onder meer de stedelijke kwaliteitsscan. In de kwaliteitsscan zijn scholen gecodeerd weergegeven, mits deze voldoen aan de minimumcriteria. Besturen krijgen de opdracht te bewerkstelligen dat hun overige scholen voldoen aan de (ruimere) voldoende criteria. Criteria moeten eenduidig en eenvoudig te zijn, bijvoorbeeld: minimaal niveau (>=10%) en voldoende niveau (>=20%). |
|||
| 5.1 bijzonderheden: | Indien nodig wordt extra informatie verschaft welke relevant kan zijn voor de betreffende indicator. Daarbij zullen indien relevant de haalbaarheid, het draagvlak, eventuele voorwaarden en mogelijke ontwikkelingen worden toegelicht. |